Inhoud
Inhoud, vormgeving, copyright 1
Voorwoord 3
Dankbetuiging 4
Levensverhaal:
Boxtel 1950 5
Groenlo 1956 15
Arnhem 1967 33
Groenlo 1971 40
Duitsland 1975 – 1992:
Ruhrgebied, Bochum 1975 46
Rijnland, Erkelenz-Gerderath 1978 50
Rijnland, Hückelhoven-Doveren 1981 55
Groenlo 1992 60
Epiloog 82
Slotwoord 2015 85
Omslagontwerp: detail van een beschilderd zijden wandkleed “Het Palet des Levens”. Vormgeving en Copyright: © 2015, Trees Miedema Drukwerk: Copy Service, Winterswijk
Niets in deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke ander wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.
Hierbij getuig ik mijn eerbetoon aan onvoorwaardelijke liefde.
“In de nuancering ligt jouw essentie”.
Voorwoord
“Al is het maar één keer…” Eén keer wat? Nou dit: mijn zwijgen doorbreken. Mijn levensverhaal bevat jeugdtraumata, die ik in 1953 en 1963 beleefde. Door erover te vertellen wil ik deze belevenissen “in het volle licht zetten”. Deze uitdrukking, door Peter John Schouten gebruikt, stond in een artikel in Trouw in juni 2014. Daardoor ontstond het idee “op de planken staan”. In het schijnwerperlicht op het podium voor een intiem publiek. De voorstelling geven, al is het maar één keer, zo kon ik mijn lange zwijgen doorbreken. Als regisseur van mijn leven koos ik voor verdere heling. Teksten en melodieën borrelden in me op. Een theatermaker als begeleider bleek echter onbetaalbaar. Een psychodramatherapeut las mijn teksten, hij miste de context. Deze waardevolle opmerking bracht mij ertoe om het verhaal van mijn leven chronologisch te gaan vertellen. Met brokjes en beetjes brak het verhaal eruit. Bepaalde delen heb ik bewust kort aangestipt of blijven onbenoemd om anderen geen schade te berokkenen. Het gebruik van namen heb ik bewust beperkt. Waar passend heb ik eerder gemaakte teksten of liederen toegevoegd.
Tijdens het hele proces, ook voorafgaand aan het schrijven, merkte ik dat een jeugdtrauma een item op zich is. Een waardevolle wegwijzer bleek www.celevt.nl: het Centrum voor late effecten van vroegtijdige chronische traumatisering. PTTS is verstrikt met mijn leven. De eenheid van lichaam en geest was altijd al een vaststaand feit voor mij. Steeds concreter toonde het zich nu echter: het oversteeg mijn weten, mijn lichaam nam de regie over. In toenemende mate beperkten de late effecten van de ingrijpende ervaringen mij. Mijn lichaam zocht continue een uitweg voor de overbelasting van al die jaren zwijgen. Een vorm vinden om mijn systeem te ontlasten bleek noodzakelijk: ik moest mij gaan uiten, zodat ik niet zélf alsmaar een vorm van slachtofferschap in standhield. Er bleek veel onwetendheid en onvermogen te zijn over de late effecten van vroege ingrijpende ervaringen, een verbazingwekkende en schrikbarende ontdekking! Juist in de wereld van onder andere medici, zorgverzekeraars en hulpverlening: daar waar gediagnosticeerd en geïndiceerd wordt en de passende hulp geboden zou moeten kunnen worden. Deze ervaring werd mede een motivatie om dit verhaal te vertellen.
Het zijn mijn hoogst subjectieve ervaringen waarover ik vertel. Ik heb moeite gedaan om zo zuiver mogelijk datgene weer te geven wat ik meemaakte, hoe ík het beleefde, hoe het zich in mijn systeem integreerde en wat het in mijn leven voor impact had. Mensen om me heen hierover informeren, bleek belangrijk. Ook leverde ik feedback aan personen of instanties over oplossingen die mij verder hielpen, in de hoop dat mensen er iets aan hebben. Vooral hoop ik medemensen te informeren over de invloed, die een ingrijpende zaak op een leven kan hebben. Zo’n zaak verdwijnt niet; wel hoop ik op een opener, tolerantere en minder snel veroordelende houding jegens de ander. Machtsmisbruik is en blijft van alle tijden. Misbruikers weten niet hoe ze met hun eigen problematiek moeten omgaan. Dit mag echter nóóit ten koste van anderen gaan! Ook hier hoop ik, dat er meer alertheid ontstaat bij de medemens. Bewuster waarnemen en signalen serieus nemen zie ik als kansen om verdere escalatie met grote gevolgen te kunnen voorkomen of remmen.
Misbruikers mogen niet vrij hun gang kunnen gaan door desinteresse van hun omgeving of verregaande tolerantie!
Dankbetuiging
Zonder de volgende personen zou het niet tot de huidige stand van zaken in mijn leven zijn gekomen. Vooral mijn dank aan die personen, die voor mij “vensters naar de wereld” waren! Mijn grootste leermeester was en is mijn zoon.
Van begeleiders en leermeesters in dit beschreven leven noem ik nu enkel voornamen, sommige namen gelden voor meerdere personen:
Anja, Paulien, Marietje, Joke, Tonny, Bettie, Cathérine, Jeanne, Shannaz, Ad, Harry, Marion, Gerti, Jeanine, Richard, Annemie, Janine, Cilia, Charlotte, Akim, Jacintha, Frans, Reinhard, Rolf, Erhard, Ronald, Maurice, Carola, Klaar, Maria, Uschi, Herbert, Kurt, Ivan, Susanne, Andreas, Eleonore, Sebastian, Gesine, Felix, Hubertus, Ursula, Lothar, Annette, Lorenzo, Georg, Karl, Werner, Hans, Joop, Jan, Alfons, Els, Arnold, Shé, José, Wim, Nico, Nicolette, Peter, Pieter, Chris, Michéle, René, Margriet, Jolanda, Anke, Laurens, Agnes, Bennie, Hentje, Karin, Bram, Daan, Henny, Robin, Ton, Klaas, Armand, Eltje, Mariëtte, Mieke, Emma, Remy en Truska.
Dan bedank ik mijn “douchemevrouwen”, zij begrijpen het wel.
Hartelijke dank aan mijn familie en mijn ex-schoonfamilie.
Copy Service Winterswijk bedank ik voor hun meedenken en bewezen flexibiliteit.
.
NB: op You Tube kunnen de drie melodieën beluisterd worden: de vermelde titel en componist aangeven ( pagina’s: 5, 26, 38). Mijn tekst is op de bestaande melodie gebaseerd.
Boxtel 1950
Er was eens een meisje. Zij woonde met haar papa en haar mama en haar oudere broertje in een houten huis naast de watertoren. Mama had eens verteld, dat de watertoren water was verloren, dat lag in onze tuin. Ik weet het niet, mama zei het. Hoe hoog weet ik niet, of dat wij in een bootje moesten en of het ook op straat was of stopte bij de stoep, weet ik niet. Onze straat heette Ons Doelstraat. Mama zei altijd: “geloof maar níet, dat dít mijn doel is!” Haar doel was een bungalow in Limburg en dan was d’r nog een doel: een grote oude klok moest d’rin. Naast ons woonden ook een papa en een mama in een houten huis met nog meer kinderen dan wij, daar speelden wij altijd mee. In de heg hadden we een gat gemaakt, waar we doorheen kropen, dan hoefde je niet om te lopen. We mochten ook bij mekaar meeëten. Zij hadden ook nog grotere kinderen en een kleintje. Het grote meisje heette Zus, niks anders. Het jongetje zat in de kinderstoel met een slabbetje voor, anders knoeide hij. Wij hadden nog een zusje, ook klein, maar die had wel een naam. Onze papa was lang weg in Amerika, moest hij voor zijn prijs, die had hij gewonnen. Toen speelde ik alleen met Henkie, want mama was bij het nieuwe babytje. Wij zijn bij het spelen samen op de foto gezet, ook samen op ons driewielertje. Wij werden allemaal ziek, toen onze papa terugkwam met de boot. Het zieke babytje mocht wel thuisblijven, maar Henkie en ik moesten naar het ziekenhuis. Hij mocht in Boxtel naar zijn ziekenhuis en ik moest helemaal naar Den Bosch voor mijn ziekenhuis. Toen ik weer naar huis terugkwam, deed mijn hoofd nog heel zeer, ik was bang en moest veel huilen. Henkie kon ik niet vinden thuis, maar ik heb wel heel lang op hem gewacht.
Mocht nooit naar hem vragen, nooit over hem praten, maar nu zing ik een liedje over hem en mij:
Lied op de melodie: “Vergin, tutto amor”, Francesco Durante
Ik was nog maar een kleine meid. Ik werd zo ziek en moest van huis zonder pappa en mamma, zo alleen. Ik huilde, er was niemand die mij troostte, er voor mij was. Waar was jij dan..? Ik zag je helemaal nooit meer, want je was al begraven toen ik thuiskwam. Ik huilde, vroeg naar mijn broertje die er niet was, waar was hij dan? Waar bleef je, ik wachtte… maar waar bleef je dan? Hij was weg…
Oh mama, ik moest buiten spelen, heel alleen. Oh mama, ik mocht je niet storen. Ik mocht alleen nog maar stil zijn, heel alleen en stil, zo stil…
Omdat ik zo veel huilde, moest ik vaak met mama mee met de trein. Mama was dan boos op mij, omdat ik met de kiezelsteentjes wilde spelen bij het station. In Tilburg bij het MOB (Medisch Opvoedkundig Bureau) werd ik door mensen meegenomen naar de spiegel-kamer en moest daar spelen, praten en kleuren. Later vertelde mama, dat ik niet bij haar wegwilde en dan altijd die mensen tegen de schenen schopte, als ze me dan wegdroegen. Toen ik later vroeg hoe het destijds was voor haar, zei ze dat zij altijd door de maatschappelijke werkster werd opgehaald en dat ze dan moest praten over Henkie. Ze zei, dat haar hart eruit werd gescheurd bij het praten erover. Daar hield ze niet van, deed teveel pijn. Toen was ik opgelucht dat zij, hoe dan ook, er iets aan had gehad. Ik hou wél van praten erover, helpt mij wel!
Mama had een keer verteld, dat we met de taxi gingen rijden en dat vond ik leuk! Alleen ging de taxi naar mijn ziekenhuis en daar kwam die dokter weer in zijn witte jas met zo’n ding bovenop zijn hoofd mij ophalen. Ik moest helemaal alleen met hem mee, mama bleef in de gang zitten. Ik zag al die tegels weer en het stonk naar ziekenhuis. Hij deed veel met mijn hoofd, wat ik echt allemaal niet wilde. Ik had pijn en was bang en ik wilde nooit meer naar een ziekenhuis.
Als de groten naar school waren, moest ik buiten gaan spelen en mocht ik mama niet storen. Ik zat dan heel stil te wachten, nu alleen op het driewielertje, op de tegels achter het huis. Mama zag ik dan aan de ene kant door de open keukendeur aan de aanrecht staan. Ik kon nét aan de andere kant om de hoek van ons huis naar de straat kijken of de groten d’r al aankwamen, dan konden we weer samen spelen!
Hierover heb ik later een verhaaltje gemaakt:
Een prinsesje, dat zich éérst alleen voelde maar….
Er was eens een prinsesje. Ze had een vader en een moeder. Die waren koning en koningin. Ze regeerden over een rijk, zo groot als de wereld die het prinsesje kende. De koning en de koningin hadden ook bedienden, die alles voor hen deden wat ze maar wensten. Ze zeiden: “ja majesteit “en “natuurlijk majesteit” en dan deden ze het ook, zoals de koning en de koningin het wilden. Het prinsesje leerde ook te doen wat de koning en de koningin wilden van haar. Dat ging vanzelf.
Het prinsesje verveelde zich wel veel, want ze was vaak alleen. Niet iedereen mocht met haar spelen, zei de koning. Ze mocht alleen met voorname vriendinnetjes en vriendjes spelen, net zo voornaam als zij moesten die zijn. Later mocht ze dan met één van die voorname vriendjes trouwen. Dat vriendje werd later ook koning en zij werd dan de koningin, net als haar moeder. Maar nu kwamen er niet zo vaak voorname vriendjes en vriendinnetjes voorbij. Dan zat het prinsesje te wachten op haar driewielertje totdat die kinderen kwamen, zodat ze dan samen konden spelen. Ze kon ook niet met haar vader en moeder spelen, want die waren erg druk met allemaal héél belangrijke dingen. Dan mocht ze niet storen. Ook nu zat ze in de tuin te wachten, want ze moest wel veel naar buiten. Dat was voor de frisse buitenlucht, die was gezond, zei haar moeder. Ook als het kouder was, maar dán moest ze wel onder haar prinsessenkleren extra warm prinsessenondergoed met kantjes aan om niet verkouden te worden. Ze verveelde zich een knolletje en bleef maar stil zitten, want ze wist niet wat ze moest doen.
Zo alleen… maar wacht, daar zag ze iemand in de paleistuin staan. Die had ze niet aan zien komen en de lakei had ook niet gewaarschuwd zoals anders. Ze reed voorzichtig naar die mevrouw toe en bekeek haar goed. Het was een dame zag ze, die net zo groot en slank was als haar moeder en ze zag er ook heel mooi uit. Ze droeg dunne lange kleren, je kon er net niet doorheen kijken. Haar gezicht was heel vriendelijk en haar ogen keken het prinsesje echt aan alsof ze alles van haar kon zien. Het prinsesje kreeg het gevoel alsof ze die dame niets hoefde te zeggen, die dame wist alles al!
Na een poosje voelde het prinsesje, dat ze nog dichter bij die dame wilde zijn. En zonder dat het prinsesje het zei, spreidde de dame haar armen al uit. Ze kwam op haar toe en tilde het prinsesje op. Ze hield haar dicht tegen haar aan, dichtbij haar warme hart. Het prinsesje voelde zich helemaal veilig bij haar, zo welkom tussen de sluiers. Dít gevoel kende ze niet… Ze deed haar oogjes dicht en was stilletjes aan het genieten. Het prinsesje voelde, dat al het alleenzijn uit haar hartje verdween en dat het nu gevuld werd met warmte. Toen haar hartje vol was daarvan, zette de stille dame haar voorzichtig weer op de grond en verdween.
Het prinsesje liep naar haar driewielertje, klom erop en wachtte vol vertrouwen op de speelkameraadjes, die haar nu heel gauw zouden komen opzoeken.
Later hoorde ik van mama, dat ik eerder naar de kleuterschool ging, omdat Henkie dood was. Ik was tweeënhalf jaar. Daar moest je in de gang eerst slofjes aan. Ik zat in de groep van mère Anna, die was lief. Ik vond schilderen fijn. Dan kreeg je een heel groot wit blad, dat moest je opprikken. Daar moest je dan voor gaan staan, maar je moest altijd eerst een schort aan. Ook prikte ik graag met een naald langs de lijn op zo’n tekenkaart, dan moest je het er uitdrukken als het klaar was. Met het kleuren had ik een truc om binnen de lijntjes te blijven: ik hield een vinger bij de lijn, kon ik er niet over! Ik deed soms nog in de broek op de kleuterschool en dan moest ik ’s middags naar bed om te slapen, ik huilde dan naar boven de trap op. Later kon ik ook al lezen en schrijven, kun je zien op de foto. Voor school moest ik die stijve havermoutpap opeten, anders mocht ik niet weg. Soms stonk die en zat d’r bruin in of was die met klonters. En dan zag ik door het raam alle anderen al naar school gaan! Mama zei dan, dat ik in de contramine was, kende ik niet. Ze zei het wel vaak, ook zeiden ze dat ik lastig was. Mijn zusje niet.
Wij hadden een dienstmeisje en daar mocht ik wel eens mee naar haar huis. Dan zat ik achterop haar fiets, het was ver fietsen over hobbelpaden langs de vennen. Ze hadden een boerderij en daar vond ik het fijn, ze verwenden me ook! Ook mocht ik bij mama achterop op de fiets om paddenstoelen te plukken. Ik mocht ook plukken, alléén de cantharellen. Mama had het me geleerd, maar je kon ze zo zien! Met mama samen mocht ik ook wel mee bij andere mensen op bezoek. Ik zag een keer achter hun huis op de grond een zakje met prachtig blauw liggen. Mama zei, dat het blauw nodig was om de was wit te maken. Dat snapte ik nou écht niet, vond ik jammer van die mooie kleur.
Op straat speelden wij met nog meer kinderen van de andere huizen. Soms waren wij de hoem-pa-pa en liepen wij in een optocht middenop straat en maakten heel hard muziek. Dan ging iedereen aan de kant en de mensen kwamen uit hun huis lopen om te kijken! Ik mocht met mama’s grote pannendeksels tegen elkaar slaan: tsching boem, tsching boem! Ik was zo trots en liep extra goed in de maat. Op een dag kreeg ik geld van mama en ze zei, dat ik alléén naar de bakker moest brood halen. Ik moest op de stoep blijven, alsmaar meegaan met de bochten tot net voor papa’s school en daar was ‘t! En daarna meteen met het brood naar huis komen, gewoon dezelfde weg terug. Het ging! In onze voortuin stond een boom, maar het waren eigenlijk drie bomen. Het was een berk, die wilde ik later ook als ik groot was. Dan was het echt.
Ons houten huis heb ik eens in brand gestoken. In de kerstboom in de kamer waren echte kaarsjes en toen was er opeens brand. Mama kwam d’r aangerend, gooide mij aan de kant en ging alsmaar emmers met water uit de keuken halen. Ik wilde nooit meer een boom met echte kaarsjes! De mensen noemden ons huis een Oostenrijks huis, maar dat snapte ik niet. Mama zei, dat er een land was dat Oostenrijk heette en dat had ons land huizen cadeau had gedaan na de oorlog, hier waren d’r te weinig huizen. Lief, hé?! Papa zei ook een keer iets echt liefs tegen mij over vroeger. Toen was ik nog zó klein, dat ik dat niet meer weet, maar ik kon al wél praten! Ik vroeg hem: “papa, weet je hoe ik van iemand houd? Van hier tot zo hoog als de hemel!” Heb ik nog steeds. In de keuken moest ik in een teil met warm water. Mama kwam met een ketel warm water om mijn haar te wassen, maar daar was ik bang voor. Later zei ze, dat ik haar eens een blauw oog heb gestoten. Ze vertelde, dat de pastoor toen kwam en die had haar gevraagd of ze ruzie had gehad met papa. Was ze altijd nog kwaad op mij als ze het weer vertelde, zij schaamde zich en ík was schuld! Daarna ging ze met mij naar de kapper, die moest dan maar mijn haren wassen. Vond ik moeilijk, mijn hoofd achterover. Ik was altijd bang, als ze aan mijn hoofd zaten. ’s Avonds in bed lag ik te rekenen, wanneer ik nu aan de beurt was. Henkie was bijna vier jaar geworden en ik was al ouder, dus dat ging niet meer. Ik dacht, dat ik dan misschien wel twee keer zo oud mocht worden en dan zou ik ook doodgaan, want ik was tweedes aan de beurt. Ik rekende uit dat het dan ongeveer met zevenenhalf jaar was. Ik lag heel stil en wende zo aan het idee, dat ik dan dood zou gaan. Dat was vanzelfsprekend voor mij en ook mooi rustig, heb ik niemand verteld. Later heb ik wel aan papa gevraagd wat dat nu was met mijn ooroperatie. Hij zei, dat je eraan kon sterven, gek worden of gezond. Eigenlijk durfde ik hem niet te vragen welke van die laatste twee ik nou was, omdat hij altijd raar deed tegen mij.
Toen we nóg een zusje kregen, deden we een wedstrijdje met de taxi met alle buurkinderen. Daar zat tante Joop in, want die was peettante en ze had de baby in haar armen. Ze moesten naar de kerk voor het dopen. Het was spannend, we renden keihard om te winnen van de taxi. Soms kon ik in de taxi kijken, dan waren we gelijk snel! In de kerk huilde het nieuwe kindje wel met het water over d’r hoofd! Onze buren kregen een keer Sinterklaas op bezoek mét zwarte Piet! Mijn zusje en ik mochten ook komen. Toen wij kwamen, hadden de kinderen van hun allemaal hun pyjama al aan en wij nog onze échte kleren, vond ik mooi! Allemaal naast elkaar op de bank gepropt en zingen. De vader van hun was ome Piet, hij maakte foto’s. Ik was bang voor Sinterklaas maar het allerergst voor zwarte Piet. Ik moest een hand geven! Toch kreeg ik ook een cadeautje. Ze hadden daar een piano thuis, want ome Piet was organist van de kerk. Ik mocht d’r ook op spelen.
Ik was heel vaak bij mijn oom en tante in Maashees. Daar is de Maas. Dat was mijn lievelingsplek: meteen als ik daar kwam, moest ik er als eerste naartoe! Voorzichtig de grote drukke weg oversteken en dan liep ik door tot de coöperatie. Dan ging ik daarnaast aan het water zitten kijken naar alles. Links was het druk bij de coöperatie, rechts om de bocht kwamen langzaam de schepen aanvaren. Ik droomde ervan om mee te varen en mee verder de wereld in, maar wel langzaam. Dan zocht ik uit met welk schip ik mee wilde, ik woonde dan ook bij die mensen. Vond ik wel gek dat ze Rijnaken heetten, want ze waren toch op de Maas?! Als ik klaar was met kijken, stak ik de weg over en ging bij de bakker eerst aan de zijkant kijken, waar altijd een raam open was. Daar rook ik de geur van deeg en vers gebakken brood. Soms, als ik erbij kon, jietste ik een stukje deeg. Daarna moest ik de winkel in en brood kopen voor tante Bertha, ze zeiden daar “mik” tegen brood. Ik rende verder naar tante Bertha, gaf het brood af en rende door naar mijn vriendinnetje, dat was één straat verder links. Die waren daar altijd blij mij te zien. In een huis aan de Maas woonde een mevrouw met een snor, mijn moeder ging daar op bezoek, ik ging ook wel eens mee. Zij was heel lief. Vroeger in de oorlog was ze naar het huis van oma in Limburg gevlucht. Mama zei, dat er heel veel andere mensen in hun kelder woonden. Ik wilde nu wel in haar huis wonen, hun tuin stopte bij de Maas, kon je altijd het water zien.
Als ik het aan tafel niet goed deed, moest ik voor straf bij de varkens van oom Harrie. Ik heb nooit verteld, dat ik dat een fijne straf vond. Ik stond bovenop de trog en keek alsmaar naar die biggetjes, die gezellig bij de moeder lagen. Ik wilde ook wel zo’n biggetje zijn: allemaal samen fijn knus bij je moeder liggen. Ook zonder straf was ik daar graag om te kijken. Mijn neefje Henkie zei altijd “moeke” tegen zijn moeder. Ik sliep beneden in het huis, Henkie boven. Als ik ’s morgens de keuken inliep zei tante Bertha: “ga maar vast naar boven Henkie wakker maken”. Dat was vanzelfsprekend voor mij, dan kon ik vast oefenen voor later, want dan ging ik met Henkie trouwen. Ik was al een Henkie kwijt-geraakt, maar dat zou me niet nóg een keer gebeuren en daarom ging ik later met hem trouwen! Ik heb een keer gezien, hoe ze een kip slachtten. Ik wilde er niet bij zijn en ver-stopte me in de keuken maar zó, dat ik het wel zag. Dan rende die naderhand zonder kop nog heen en weer! Na het warme eten kregen we een toetje en daar tekende tante Bertha een gezicht op: twee ogen, neus en mond met Carvan Cevitam of stroop, moest je voorzichtig eten. Deden wij thuis nooit. Op de wc was het koud, dan moest je eerst over de deel lopen. Er was geen wc papier, maar in stukjes gescheurde kranten of tijdschriften, moeilijk en vies bah! Thuis hadden we gelukkig wel wc-papier.
Dichtbij Maashees heette het Boxmeer, wij woonden in Boxtel. Die namen snapte ik niet: ze hadden alle twee “box” erin. Wij hadden thuis ook een box, maar die was voor de kleintjes. Bij ons in Boxtel was de Bloedprocessie. Mama en ik namen onze stoelen mee: zij een grote en ik een kleine. We sleepten die mee tot aan de straat van het klooster en de kerk. We zaten daar dan te wachten tot ze kwamen, je hoorde de muziek al in de verte! Dan kwamen ze d’r aan: eerst de hoem-pa-pa en dan een heleboel mensen in heel mooie kleren van vroeger. Meisjes waren allemaal bruidjes, ze liepen plechtig en waren helemaal in het wit. Er waren mannen, die aan een dikke stok hele grote trossen met druiven droegen, wel zo groot van hun schouder tot bijna op de grond! Maar ik heb niks geen bloed gezien. Later gingen we weer met onze stoelen naar huis en dan kregen we iets lekkers bij de thee, want dan was het feest. Thuis had ik alleen een step, ik wilde altijd heel hard steppen! Bij de buren twee huizen verder hadden ze een trapautootje. De grote kinderen hadden een lijst en daar stond op, wie er nou aan de beurt was. Maar je moest heel lang wachten voor je aan de beurt was en d’r dan in mocht. De laatste keer dat ik bíjna aan de beurt was, verhuisden wij. Dat vond ik heel gemeen, zó lang gewacht voor niks! Wel hoorde ik van de andere kinderen op straat dat, waar wij naartoe gingen daar was een ander land, de mensen konden ons dan niet verstaan en wij hen ook niet. Ik was wel bang voor al dat nieuwe. Wij reden in de auto van ome Piet. De hele weg heb ik achterstevoren op mijn knieën gezeten en alsmaar door de achterruit gekeken. Toen wij naar Groenlo verhuisden, was ik vijfenhalf jaar.
Groenlo 1956
Toen we in Groenlo bij het nieuwe huis kwamen, stuurde mama ons naar buiten en zei: “hup, gaan jullie maar op straat spelen!” Dat was spannend voor mij, want nu zou ik merken of ik die mensen wel kon verstaan en zij mij…! In de verte kwam d’r een jongetje aan fietsen, er kwam ook een meisje aan, maar die was wel groter dan wij. Weet je hoe ze heette: Trees! Mooi hè, ik was dan de tweede Trees! Dat jongetje heette Jan, hij praatte tegen mij en ik luisterde héél goed… ja, ik verstond hem! Hij vroeg of ik op zijn fietsje wilde, dat hadden wij in Boxtel niet, maar ik stapte wel op. Je kon met je voeten op de grond. Ik fietste naar zijn huis naast de bulte, zo heet hier een berg. Boven op die bulte was vroeger een molen geweest, maar die was nou weg, zei Jan. Voorbij zijn huis wist ik niet hoe ik moest remmen en hij zei: “rij maar de heg in”. Heb ik gedaan, lukte! Hij vertelde dat wij goed woonden namelijk aan de goede kant van de gracht: er was vroeger oorlog geweest, dan moest je binnen de gracht wonen voor de soldaten, ik was dus veilig! Ik vond het zielig voor die andere Trees, want die woonde net buiten de gracht! Jan en ik werden vrienden. Zijn vader was smid, het stonk daar, maar het vuur vond ik echt prachtig. Er stonden vaak grote paarden met knechten om ze vast te houden. Zijn moeder had een winkel, maar ik vond het altijd fijn bij haar. Jan en ik speelden samen, ook in een groep met kinderen uit onze buurt. Er was ook een andere groep, maar die was van twee straten verder, dus die hoefden niet in ons park te spelen. We hadden oorlog met hen, zij waren onze vijanden. Van één van die jongens was de vader politieagent. Als ze niet konden winnen, zei die altijd: “ik haal mijn vader”. Dan riepen wij heel hard om hulp van de buren. Aan de overkant van de straat woonde de timmerman, die kwam dan aangerend uit zijn werkplaats en tilde ons gauw over de heg en dan waren we veilig. Dan stonden we op straat gekke gezichten te trekken en ze uit te lachen: ”etsj, petsj!” met een lange neus erbij! Later merkte ik, dat het gevoel van: ”hij is mijn vijand” in mij gebakken zat! Dit kan ik nu nog zo voelen als ik één van hen zie, maar nu mag ik ze niet meer zo behandelen; nu groet ik ze dan ook. Ons huis stond in een park met de bulte erin, dat was allemaal van de kerk. Ons huis was van het ziekenhuis. Ons nieuwe huis was van steen en heette Huize Berca. Vanuit mijn bed keek ik over de bomen heen naar de kerk, je hoorde de duiven roekoeren. Soms waren de bomen roze als ze bloeiden, heel mooi. Vanuit ons huis keek je vanaf de achterkant tegen de kerk aan en vanaf de zijkant en van voren zag je het ziekenhuis. Onze mama lag veel in het ziekenhuis. Ik zou later chirurg worden om niet nog meer kinderen te laten sterven bij de operatie, net als onze Henkie. Dus ik ging heel veel op bezoek bij mama, ik mocht haar eten opeten, als ze niet meer wilde. Ook keek ik goed hoe dat daar allemaal ging. Was ook samen met mama en de hoogste zuster in de operatiekamer. Als ik naar Henkie vroeg, zei papa altijd: “psst, daar kan mama niet tegen”. Dus ik kwam d’r niks over te weten. Ik had zélf allang ontdekt, dattie dood was! Later kregen we nog een broertje en dan nóg een zusje, die heette naar die hoogste zuster, vond ik gemeen. Mijn Limburgse moeder wilde mij Marie Thérèse noemen, maar papa had meteen gezegd: “gewoon korte Nederlandse namen”. Zo heette ik dus Trees, ik wou dat mama had gewonnen. Mijn kleine zusje had de buitenlandse namen van die vriendinnenzuster van mama, zíj hoefde niet Nederlands..! Als de ziekenauto kwam, riepen we alle buurkinderen. Bij ons tuinhek kon je op de dwarsspijlen staan, dan stond je mooi hoog.
Dan kon je veel beter in de ziekenauto kijken. D’r was ook een lijkenhuis. Daar stond de zwarte koets in en als die moest rijden, trokken zwart aangeklede paarden de koets. De koetsier zat op de bok, ook in zwarte kleren en een hoge hoed, dan stonden we ook te kijken of d’r wel een lijk in lag. In de kerk gingen we altijd kijken als er een baby gedoopt werd. We wedden dan of die bij het water over zijn hoofd zou huilen. We zochten onder de banken naar gevallen collectegeld, dan gingen we met dat geld zoethout kopen: twee voor vijf cent. Achter het ziekenhuis bij de gracht was het kinderpaviljoen. Als mama weer een baby kreeg, mocht ik altijd haar melk, die over was, naar de arme babytjes brengen, waarvan de moeder geen melk had. De melk was nog warm in de fles, ik mocht niet vallen, dan was de melk foetsie. De babytjes moesten nog wel de melk warm drinken, dus ik moest voorzichtig snel lopen. Ik was de enige die dat mocht en dat vond ik fijn. Ik zou later ook melk krijgen voor mijn baby’s, dat zou uit mijn borsten komen net als bij mama. Borsten had ik nog niet, ik snapte niet waar de melk nu in mijn lichaam zat. In bed ’s avonds voelde ik waar die melk nou was opgeslagen. En eindelijk wist ik het: ik vond de plek! Dat heb ik mooi niemand verteld, want dan konden ze mij daar pijn doen en dat was niet goed voor mijn babytjes later. Wil je weten waar? Bij mama had ik gezien, dat haar borsten zwabbelig waren en wat schudden. Dus ik zocht ook naar zo’n plek in mijn lijf. Eindelijk vond ik hem: je moest je benen optillen en dan zachtjes tegen je kuiten duwen, dan zwabbelde het ook.
Ik zat eerst op de kleuterschool bij de zusters en toen ging ik naar de grote school, die was alleen voor meisjes. Je had juffrouwen en zusters op die school. Je zat in de a of de b klas. Alleen in de vierde klas hadden we maar één klas met een juffrouw. Daar hadden we 54 kinderen in de klas, het stond zo vol, je kon nauwelijks tussen de bankjes doorlopen. Naar school toe liepen wij altijd op de weg bij de kerk en de gracht aan de andere kant. Daar waren stangen op betonnen paaltjes. Wij balanceerden op de stangen, dan moest je heel voorzichtig lopen. Als je van de stang afgleed, kon je je beneden aan de voorkant van je bips gemeen pijn doen. Toen de kleintjes naar de kleuterschool gingen, moest ik ze de eerste dagen altijd brengen. Dat vond ik heel moeilijk, want ze huilden dan zo en eigenlijk wilde ik ze niet alleen laten, maar ik moest door naar mijn klas! Onze mama was veel ziek en wij hadden altijd een dienstmeisje, die ook bij ons sliep en dan kwam er nog een oude opa, opa Wolters, die op de kleintjes paste en de aardappels schilde. Ik mocht op fluitles, maar pas in de tweede klas: ”dan kon ik lezen,” zeiden ze. Die stomme lui wisten niet, dat ik allang kon lezen. Heb ik gezegd, maar ik moest toch wachten! Het was fijn, dat je bij de blokfluitleraar thuis zondagmorgens, samen met de andere leerlingen, muziek maakte in hun woonkamer. Klonk het veel mooier dan alleen! Omdat ik net zulke voeten had als mama, moest ik op ballet. Onze mama had al vijf voetoperaties gehad, dan hoefde ik die misschien niet. Op muziek bewegen vond ik fijn. Er speelde bij de les altijd een man op de piano voor ons. Na drie jaar kwam er een uitvoering en de balletjuffrouw zocht uit wie mee mocht doen. Ik wilde heel graag, want dan mocht je op spitzen! Thuis oefende ik al om zonder spitzen op de topjes van mijn tenen te staan, kon ik best! Toen ze langzaam langs ons heen liep en iedereen bekeek, deed ik heel erg mijn best, maar ze koos me niet. Toen ben ik maar van ballet afgegaan, maar ik moest toch weer naar iets met bewegen: op gymnastiek. Vond ik niet leuk. Ze noemden me “stijve bok” en ik werd vaak als een van de laatsten gekozen.
Alleen het aan de ringen zwieren vond ik heel leuk, want dan vergat ik alles: ik zweefde! Een paar dagen voordat mijn oma van Ditshuizen dood ging, ik was net zeven jaar, moest ik met papa naar oma in het ziekenhuis in Doetinchem. Onze oma lag op het sterfbed, zei papa. Hij vertelde mij onderweg dat je een belofte, die je op het sterfbed aan iemand gaf, áltijd moest houden! Ik had geld gestolen uit mama’s portemonnee. Dat zag ze, toen ze mijn kleren netjes op de stoel hing. Op de onderjurk naaide ze altijd zakjes voor je zakdoek en zo. Daar viel toen mijn geld uit. Ik lag samen met mijn zusje in ons grote bed en schaamde me dood. Ze was zó kwaad! Waarom ik had gestolen…? Mama was een grote doos voor arme kindertjes in Polen aan het klaarmaken en ik mocht erbij zijn. Ik zat op haar bed en keek toe, wat ze allemaal in de doos stopte. Daar zat iets bij wat ik niet kende, heette “Mars”. Dat vond ik zo gek, dat ze dat wel aan die vreemde kinderen gaf, maar niet aan ons! Wij kénden het niet eens en ik wilde dat ook hebben. Toen heb ik steeds een beetje geld gestolen om dat ook te kopen en nou had ze het gevonden. Ik durfde niet te zeggen waarom en ik had al een kwártje bij elkaar! Daarom moest ik toen van papa aan oma op haar sterfbed beloven nóóit meer te stelen! Papa zei, dat oma extra had gewacht op mijn Eerste Communie voordat ze stierf, heeft ze net niet gehaald!
Onze opa kwam ook in Groenlo wonen toen oma dood was. Hij woonde in een kamer aan de voorkant van het ziekenhuis, bij ons tegenover. Hij had chocoladen koffieboontjes. Iedereen zei, dat hij wel een rustige oude dag had verdiend, ik weet niet waarom. Opa zei leuke dingen: “God zal me troosten” als hij schrok of bij iets geks en: “Mozes”, als hij bijna wilde vloeken. Dit vond ik een leuk soort vloeken, was niet erg! Hij was in november jarig, dan gaf hij mama extra geld voor gebakjes voor ons. Mama maakte soms iets voor ons, noemde ze gebakjes. Maar het was gewoon beschuit met pudding en aardbeien erop. Wel lekker, maar geen echt gebakje! Dus één keer per jaar gaf onze opa ons echte gebakjes! Die moest mama bij bakker Wissink op de markt halen. Volgens mij was dat toen de duurste bakker. Ik genoot extra, ik wist dat het voor één jaar moest duren. Mijn zusje kroop eens onder de tafel bij het eten ervan, je zag haar niet door het tafelkleed. Toen we allemaal klaar waren en alleen ik nog in de kamer was, kwam ze met haar gebakje onder de tafel uit. Ze ging voor mij staan, stak het vorkje met gebak in haar mond en haalde het er langzaam uit, zat er nog wat op… Dat deed ze echt om mij te pesten, maar ik had een soort scheldversje voor haar gemaakt, wat rijmde op haar naam. Dan probeerde ze het ook bij mij, ik zei dan dat “Trees – beest” niet klopte, mijn naam eindigde niet op “t”! Ik vond rijmen altijd leuk, vooral bij namen. Mijn mama heette Francisca met doopnaam, maar iedereen zei Cis of Ciske tegen haar. Ha, dat rijmde mooi op dat ene woord dat wij NIET mochten zeggen! Haar zusje heette tante Gondje, paste ook mooi ergens op…, mochten we ook niet zeggen. Later trouwde de broer van papa met een Friese vrouw. Oom Henk kwam ons persoonlijk haar naam uitleggen: je schreef dan Gatske, máár je moest het uitspreken als Godske met zo’n gekke “g”. Daar trapten wij mooi niet in, veel te leuk! We hebben die nieuwe naam ook aan de buurkinderen verteld. Deze oom werd later professor, daar waren wij natuurlijk wel trots op! Ze zeiden dat hij een “kamergeleerde” was, dat snapte ik niet: je moest toch in een kamer gaan zitten om goed te kunnen leren?!
Toen hij iets heel moeilijks en officieels moest doen om professor te worden, mocht ik mee naar Amsterdam. Ik was het oudste nichtje en vond het een bijzondere eer! Maar ik was een keer brutaal tegen papa: toen heeftie echt wraak genomen! Zonder iets te zeggen draaide hij zich om en belde ome Henk op. Hij vertelde hem, dat ik erg brutaal geweest was en of ik dan wel mee mocht naar Amsterdam?! Nou, dat vonden ze allebei niet zo’n goed idee! Ik vond die straf veel te erg, echt gemeen!
Als er post kwam, rende ik naar de voordeur. Ik mocht brieven sorteren: die met “Weledelgestrenge” gingen naar papa’s kantoortje en de anderen naar de kamer. Ik snapte nooit hoe al die mensen wisten, dat mijn papa streng was; ik had het niemand verder verteld. Ik snapte niet dat ze dat zo maar vóór op de enveloppe durfden te zetten, kon iedereen het zien! Ik moest me altijd netjes gedragen vanwege papa: “denk eraan, je bent de dochter van meneer Miedema!” Vond ik niks aan, ik kon dan nooit doen wat ik wilde. Toen wij in Groenlo kwamen wonen, mochten we alleen met de dochtertjes van de burgemeester spelen, die was van adel. Mijn papa vroeg altijd wat haar vader deed, als ik met een meisje naar huis kwam om te spelen. Toen ik dat wist, ging ik extra spelen met meisjes van vaders, die hij niet goed genoeg vond. Daar werd ik dan vriendinnetje mee. Soms kregen wij bezoek van de bewoners van de pastorie, zij woonden dichtbij. Meneer de deken en alle kapelaans kwamen dan. Dan rookte onze papa een sigaar, dat rook zo heerlijk en onze mama maakte dan échte koffie met zo’n filter, dat rook heel anders. Normaal gebruikte ze oploskoffie. Al die geuren en gezelligheid, dan zat ik bovenaan de trap verstopt stilletjes te genieten!
Wij mochten ook geen dialect praten, “plat proaten”, zeiden ze in Groenlo. Vond ik wel jammer. Mama deed dat wel als ze aan de telefoon was met oma uit Limburg of anderen van Limburg. Wij vroegen dan altijd: “mama, praat ook eens tegen ons zo?” maar ze zei dan, dat ze dat niet kon. Onze mama kon foute woorden niet verdragen: als je “hartstikke” zei, viel ze bijna flauw. We werden altijd verbeterd als we iets fout zeiden. Bij oma in Lim-burg, zeiden de kinderen van hun: “daar komen die Hollanders weer!” Ze snapten niet, dat wij niet uit Noord- of Zuid-Holland kwamen maar uit het Oosten. Gewone Nederlanders en dat waren zij ook, maar dat geloofden ze niet. Van mijn nichtje heb ik wel één ding overgenomen: ze zei “auwíeje” bij pijn. Dat vond ik veel beter dan “au”, er zat meer pijn in. Als we bij oma waren en ik deed het niet goed aan tafel, dan zei ome Arnold: “ga maar onder de trap, jij”! Bij hun moest je altijd een snee roggebrood tegen een gewone boterham aan, zo samen opeten. Als ik dan zei, dat wij dat thuis niet hoefden, mocht ik onder de trap. Hij was veel strenger dan oom Harrie met de varkens. Oom Arnold heeft ons ‘s nachts, toen we al sliepen, uit bed gehaald: we mochten kijken, hoe de biggetjes werden geboren. Een vies gedoe, maar later wel leuk. Mijn nichtje en ik moesten elke dag wel twee of drie keer de vloer vegen voor alle dooie vliegen. Zij kon ook helemaal alleen soep maken van hun kippen met wel zes blokjes bouillon erin! Wij moesten goed meehelpen. Als we ’s avonds klaar waren, mochten we fietsen. Fietsten we naar de Maas en we keken daar bij de pont. Als ik in de buurt bij een andere tante logeerde, had ik pech: dan moest ik twee keer op de zondag naar de kerk in het dorp verderop. Die hadden een tuinderij met veel fruitbomen in de boomgaard. Heb ik ook veel geholpen, samen met andere neefjes en nichtjes. Het was heel gezellig en we aten tussendoor bij het werken ook van het fruit.
Het was veel zweten en we waren plakkerig van het fruit. Per kratje geplukt fruit kreeg je geld, we wisten precies waar je het meest voor kreeg, maar dat plukte ook het moeilijkst! Daar had je dézzen, dat was een reuzenmug, je kreeg er echte grote, dikke flaatschen van. We gingen soms in de Maas zwemmen met tante Maria, die kon autorijden. Dan moest je eerst door hun weilanden banjeren, voorzichtig voor de koeienflaatschen! Eerst werd je door tante Maria ingewreven met zonnebrandspul uit een bruine fles, wat ik niet kende, het stonk. Als er een boot langsvoer, deinden we mee op de golven, die dan kwamen. Mijn nichtje zwom soms naar de overkant, maar dat durfde ik niet. We waren meestal verbrand door de zon en dat voelde je goed ’s avonds in bed. Soms hadden we pijn van het gestoken zijn door die dézzen. We konden dan niet slapen, maar mochten niet praten. Dan hadden we een truc: we schreven de woorden bij elkaar op de rug. Dan moest je wel goed opletten bij de plekken waar het kietelde, anders kon ome Arnold je horen bij het lachen.
Met Pasen kregen we nieuwe zomerkleren en schoenen, meestal met wit. Alles lag dan zaterdagavond al op de stoel. Daar keek ik dan heel lang naar, ik kon het bijna niet uithouden, zo graag wilde ik ze aan! Maar mama lag een keer net voor Pasen geopereerd in het ziekenhuis en papa zei, dat we wel mee mochten, maar niet mochten praten of vragen bij haar. Ik was heel zenuwachtig en bezorgd, want ik wilde haar iets vragen, omdat ik d’r bijna van knapte. Het mocht wel niet, maar ik móest het weten! Toen heb ik het toch ge-vraagd en ze ging d’r niet van dood! Ze gaf gewoon antwoord en vertelde welke kleren we nu aan moesten. Later thuis vertelde ze, dat de bedbuurvrouw wél aan die operatie was gestorven. Toen ik een keer uit school kwam, zei mama tegen mij: “spring maar achterop de fiets, we gaan de stad in”. Wauw, dat vond ik fijn: alleen met mama! Ik zat te genieten achterop, maar toen stopte ze bij de tandarts. Dat vond ik gemeen, want dát had ze niet verteld! Naar binnen, de wachtkamer in en toen later naar de tandarts, ook in een witte jas. Ik wilde niet op de stoel en hij zei, dat mama dan maar eerst op de stoel moest gaan zitten en mij op schoot nemen. Ik moest mijn mond opendoen. Ik was zó bang en ik heb het echt niet gedaan. Mama had gelogen en dan nog een tandarts! Hij werd zo kwaad, hij wilde mij nooit meer zien; nou, ik vond het ook niks bij hem! “De volgende keer gaat pápa maar met jou mee,” zei mama. Bij de volgende keren beloofde papa een verrassing, als ik lief was bij die tandarts. Ik kreeg altijd een kleurboek, dat was nou ook geen verrassing meer! Dat kochten we dan, als we klaar waren. Papa bleef wel altijd in de wachtkamer zitten en dan moest ik weer alleen naar binnen… Sta ik nog mee op de foto: kleurend aan tafel zittend met een dikke wang. Mama ging nooit meer met míj mee, maar wel met de anderen, dat vond ik heel erg. Ik wilde juist met háár en niet met papa!
Toen ik in de vijfde klas zat, moesten wij verhuizen: er kwam een internist van het ziekenhuis in ons huis. Ik mocht zo lang bij Jan thuis logeren. Daar was ik altijd al graag, maar nu mocht ik er ook slapen. Ik vond het zo fijn daar, dat hun moeder mij na een paar weken zei, dat ik maar eens naar het nieuwe huis moest. Dat was buiten de gracht. Hun knecht bracht mij met paard en wagen naar dat andere huis. Na de gracht was het nog een heel stuk! Ik bungelde met mijn benen achterop de wagen zittend en keek naar de verdwijnende gracht, wéér zat ik bij een verhuizing achterstevoren!
Wel kreeg ik in het nieuwe huis een fiets. Na de dood van Henkie was ik nu zogenaamd de oudste geworden en kreeg ik alles nieuw. Mijn zusjes erfden van mij. Op school hadden wij met verschillende meisjes in de pauze besproken, hoe je nou voor later een goede man kon vinden. Hoe wist je dat? Naderhand wisten we het: hij moest groter zijn dan jij, hij moest drie jaar ouder zijn en je had geluk als hij donker haar had en dán nog blauwe ogen… tjonge, dan had je wel de knapste! Thuis heb ik mama meteen verteld, dat ze het knatsfout had gedaan met papa: hij was klein en mama groot én hij was precies drie maanden jónger dan mama! Met de haarkleur klopte het wel, maar ik kon geen de Ruijter meer heten net als mama, maar Miedema. Wij zouden afstammen van Michiel de Ruijter, maar nou was ze met papa getrouwd en nu had ik de verkeerde naam!
In de zesde klas werd je van de kinderen voor de huishoudschool gescheiden. De kinderen voor de HBS kregen op zaterdagmorgen extra bijles. Ik ook. Maar na de les moest ik altijd blijven, dan kreeg ik een preek van Soeur Brigida. Toen wist ik dat niet, maar daar schreef ze brieven over naar mijn vader, hij gaf geld voor de preken, de zuster bedankte hem voor het geld. Ze schreef dan, hoe het met mij ging en of ik al “gewilliger” werd. Ze vertelde, dat ze het geld had afgegeven aan haar overste, zij kreeg geld voor een boek. Later liet mijn moeder mij lachend zo’n brief lezen, ik kon d’r niet om lachen! Wij speelden met de buurkinderen, die woonden samen met ons in een twee-onder-een-kaphuis. Ze waren even oud als wij. Wij gingen ook allemaal op zwemles. De avond van tevoren moest je in een bierfles van Grolsch met zo’n plopding d’r op chocolademelk gieten en brood smeren. Dan gingen we nuchter naar de kerk voor de mis: voor de communie mocht je niet eten, was doodzonde en dat wilden wij niet. Daarna crosten we naar het zwembad en dan moest je eerst onder de ijskoude douche om schoon te zijn. Voor het douchen danste ik altijd rond, want mijn zwempak had een rokje, dat wapperde alstie nog droog was. Na het douchen, koud of niet koud, het water in. We keken altijd eerst op de thermometer. Het water was één keer veertien graden, toen gilden we wel van de kou! De badmeester hielp ons met zwemmen, soms deettie de muziek aan, prachtig: je zwom op de muziek, alles ging vloeiend. Dan flootie als we d’r uit moesten: snel, snel, afdrogen, aankleden en je brood vast in je mond proppen, want de school begon al bijna! Keihard naar school fietsen en dan werd er altijd gevraagd of je wel naar de kerk was geweest. Wij altijd, het kwam op je rapport te staan hoeveel keer je naar de kerk was geweest!
Thuis had ik vaak het gevoel er niet bij te horen. Mijn moeder maakte kleren voor mij van dure kwaliteit, want ze zei dat er in de winkels voor mij niets was te vinden: ik was te dik volgens haar. Ze moest hard lachen, toen ik eens om een broek vroeg en later ook weer, toen ik om een bikini vroeg. Toen ik huilend naar binnenliep, vroeg mijn vader wat er aan de hand was. Hij gaf mij geld voor een broek. Later zag ik op de foto’s dat ik een normaal figuur had, alleen waren de anderen dunner. Die hadden allemaal aspergefiguren. Mijn zusjes droegen de kleren niet, die mijn moeder voor hen had genaaid, ook al waren ze klaar! Dat durfde ik helemaal niet, ik was al vereerd dat ze iets voor mij maakte. Ik snapte niet hoe ze dat konden, ik zag ook de moeite die mijn moeder deed. Mijn zusjes wilden alleen kleren uit de winkel, kon ik niet over mijn hart verkrijgen voor haar, al vond ik er vaak niets aan. Altijd jurken met die stomme princesselijn, dan leek je slanker! Mijn moeder hield altijd dieet, dus die was helemaal slank!
Omdat zij geen vet mocht, zei papa dat ze extra veel jam op haar brood mocht. Wij niet. Mijn vader checkte altijd of we niet teveel margarine op de boterham hadden en dan moesten we het eraf schrapen. We hadden wel eens bezoek van de inspecteur van onder-wijs, die deed een keer veel boter op zijn boterham. Ik heb hem toen maar gauw gewaarschuwd, anders zou papa er wat van zeggen! Tot mijn verbazing mocht hij het wel…! ’s Avonds zat ik op de rand van het bed te wachten of mijn ouders mij nu eens zouden komen vertellen, dat ik niet van hun was. Ik was ervan overtuigd, ik snapte niet, dat ze het nou niet gewoon zeiden: ik vóelde het toch! Samen met een zusje hadden wij tweeën op zolder elk een eigen kamertje. Bij het naar bed gaan ging mama haar wél altijd instoppen, mij niet altijd. Dat deed pijn, want ik had dat ook nodig. Ze liep dan vaak door naar de trap naar beneden en kwam dan niet daarna bij mij kijken! Elke avond wachtte ik of ze toch naar mij kwam, echt niet zo vaak als bij mijn zusje. Dat zusje en mijn broertje waren de lievelingetjes van mijn ouders: ze leken op mama, vond papa. Mijn broertje had helemaal pluspunten, dat er nog een zoon kwam na Henkie’s dood!
Ik kreeg altijd te horen dat ik maar rustig met een boekje in een hoekje moest gaan zitten lezen óf naar buitengaan. Rust was heel belangrijk bij ons thuis: mama moest altijd ’s middags na het eten slapen en je moest ook altijd zachtjes de trap op en aflopen en niet met deuren knallen vanwege de buren. Spelletjes samendoen ging bij ons alleen met ganzenborden, ik kende geen andere spelletjes. Pas bij de buren leerde ik kaarten. Later kregen we zelf ook Monopoly maar dat vond ik niet leuk, dat kon dagen duren; mijn broertje was er gek op. Graag keken wij samen televisie in de voorkamer, alle kinderen op de bank en mama ernaast. Papa zat altijd in de achterkamer brieven te schrijven naar mensen over de hele wereld. Alleen bij voetbal of Toon Hermans kwam hij kijken en dan lachte hij zich kapot. Omdat wij nooit vieze woorden mochten zeggen, vond ik het geweldig om onderaan de trap naar boven te roepen: “nou komt de Augsburger Puppenkiste…” Konden ze me niks maken en ik had lekker “poep” gezegd. Onze mama vond Swiebertje maar helemaal niks: ze had eens gezien, dattie met een taart gooide en sinds de oorlog mocht je niet met eten knoeien! We moesten het meestal stiekem kijken. Als mijn ouders op bezoek gingen, moesten we wél op tijd naar bed. Ja, ja, natuurlijk, maar niet heus! Rondom ons huis waren kiezelstenen. Dan kon je ze aan horen komen: graag keken we met de kleintjes lang televisie en dan later boven gauw je licht uitdoen als het buiten knerpte, ik las graag in bed. Later hoorden we, dat papa aan de televisie kon voelen of we lang hadden gekeken. Help! Als we met Kerstmis gezellige Duitse filmen van “Sissy” of zo keken, gooide mijn vader ons daarna het huis uit: we moesten ook bewegen en buiten een frisse neus halen, anders werden we klierig. Vaak liepen we helemaal tot Bennie Patat, als we genoeg zakgeld gespaard hadden, konden we daar een kroketje halen. Tegen de tijd dat we thuis waren, was dat allang op: daar konden ze dan niets meer van ruiken! Als het heel gezellig was, ging ik om vijf uur naar de keuken een grote pan macaroni maken, dan genoten we allemaal!
Onze ouders gingen soms op vakantie en dan kwam opa kijken of alles goed ging. Mijn zusje zorgde voor de was. Daar vond ik niks aan, zo’n machine met al die knoppen. Ik kookte liever, dan kon je van alles uitproberen. Wij konden dat met ongeveer tien jaar al alleen, zonder dienstmeisje!
Mama kon niet veel werken, maar ze kreeg van papa altijd de nieuwste machines. Zo stond er opeens een aardappelschrapmachine in onze bijkeuken! Vond ik niet geweldig, want je moest de pitjes er toch nog uithalen. Ik was het gelukkigst, als onze opa ‘s morgens kwam, elke morgen klokslag half elf. Hij had eerst gewandeld of gefietst rondom Groenlo. De boeren zeiden altijd: “je kunt de klok gelijk zetten op meneer Miedema!” Het huis was eerst in rep en roer, er was overal geroep: ”waar is de krant, dadelijk komt opa, wie maakt er de karnemelk klaar?!” Zomers moest de karnemelk koud zijn en ‘s winters lauwwarm: oppassen, het schiftte gauw! Ik voelde me dan juist rustig. Ik vroeg mama of ik de aardappels mocht schillen en zette vast alles klaar. Dan stond de radio zachtjes aan, opa zat de krant te lezen met het glas karnemelk ernaast. Ik zat op mama’s stoel met haar schort voor de aardappels te schillen. Praten hadden we niet nodig. Ik vond het fijn bij hem en snapte de anderen niet.
Na drie jaar wilde ik stoppen met fluitles, met ademen werd het te moeilijk, ik ergerde me en beet heel hard op het mondstuk: je kon mijn tanden d’r op zien. Papa vroeg wat ik dan wilde en ik vroeg om pianoles. De ouders gingen toen met de buren naar Duitsland bij Emmerik in een pianofabriek kijken en toen kregen alle twee de gezinnen een piano. Onze notenhouten piano had aan de voorkant kandelaars, die vond mijn vader niks en liet ze er meteen afzagen! Voor pianoles fietste ik elke woensdagmiddag naar tante Riet in Beltrum. Haar man was dierenarts en gaf les op papa’s school. Ze was geen echte tante, maar we moesten alle leraren van papa’s school altijd oom en tante noemen. Al gauw speelde ze met mij quatre-mains: met zijn tweeën op één piano. Dat klonk geweldig, soms leek het wel een orkest! Zij deed onder de moeilijke kant en ik boven de gemakkelijke. Ik moest van haar elke dag oefenen, soms ook radio luisteren. Dat programma was later dan mijn bedtijd, dan konden mijn ouders niets zeggen. Mijn zusjes wilden dat ook, maar mochten ze niet! Tante Riet beloofde mij mee te nemen naar een concert. Ik was heel opgewonden: zoiets grotemensenachtigs! Toen ze mij met mijn mooiste jurk aan afhaalde, gingen we naar een openluchtconcert in Eibergen. Dat vond ik niet echt een concert: zo buiten op klapstoeltjes. Ik wilde in een echte concertzaal zitten, net zoals ik op de televisie had gezien. Later gingen mijn zusjes ook op fluitles en pianoles, maar ze stopten allemaal na kortere of langere tijd. Om ze te stimuleren speelde ik wel eens quatre-mains met hen, maar dat hielp niet voldoende; ik was de enige die doorging. Mijn broertje hoefde dat allemaal niet. Die mocht niet rennen en je mocht hem niet kwaad maken, dan kreeg die slecht lucht, kon hij ook doodgaan net als Henkie. Soms zat mama de hele nacht bij zijn bed en had hij zo’n apparaat met kokend water en een lange tuit eraan. Ik vond er niet veel aan zo’n broertje: je kon d’r niks mee. Hij mocht dieren achter in het hok: duiven, konijnen en een schildpad. In de winter mocht de schildpad in een doos naast de keukenkachel, moest je altijd oppassen om er niet in te trappen, er was weinig plaats als je binnenkwam. Wij vroegen een hond of een poes, maar dat mocht niet: te smerig zei mama. Soms huilde mijn broertje, dan liep mijn moeder met een spuit. Wij wachtten dan heel stil in de keuken. Als ze dan terugkwam zei ze: “jongen zijn is ook niet alles.” Ik snapte dat niet en durfde het niet te vragen, geheimzinnig, dat met jongens! Bij de scouting moestie zijn nagels goed verzorgd hebben. Hij vroeg mij dan hem te helpen en ik vond dat wel fijn, zo stil met hem te zitten. Bij het naar bed gaan vroeg hij, of ik wilde voorlezen. Ik lag naast hem bovenop de deken.
Daar ben ik zeker in slaap gevallen, want de volgende morgen werd ik wakker, lag nog op bed in zijn kamertje, maar híj was er niet! Het voelde heel raar dat hij er niet was. Ik vond het fijn bij hem te hebben geslapen, maar het was zeker niet goed geweest of zo. Ik snap-te het niet en durfde er niet over te praten. Ben zachtjes naar beneden gegaan, heb maar gewoon met de anderen meegedaan.
Altijd al wilde ik chirurg worden. Ik had met mama al in meerdere operatiekamers in ziekenhuizen van de zusters gekeken. Ik las al jong een boek van een Italiaanse chirurg. Op een dag zei papa, dat ik geen chirurg mocht worden. Waarom niet? Was niet goed voor mij. Hij wilde vroeger óók dokter worden, maar hij ontdekte dat hij er niet tegen kon om ‘s nachts uit bed te moeten, dus werd hij geen arts. Dan kon ik dat ook niet, dus mocht ik het niet worden. Toen vroeg ik of ik operatiezuster mocht worden. Nee, mocht ook niet: dan moest ik lang staan, dat was slecht voor mijn voeten, ik had mama’s voeten en zij had al veel voetoperaties gehad. Puh, ik had allang steunzolen. In het oude huis had ik die al eens in de verwarmingsketel gegooid: mijn zusjes hadden veel leukere schoenen dan ik. En verpleegster wilde ik ook wel worden. Nee, zijn twee zussen waren dat ook, dan moest ik patiënten tillen en dat was slecht voor mijn rug. En maatschappelijk werkster dan, net als mama? Nee, mama was daarvan overspannen geworden en dan zou ik dat ook worden. Ik werd stil, ik wist niets meer! Wat ik vanuit mijn hart wilde, mocht dus allemaal niet…
Op de HBS was ik voor de eerste keer bij paters, niet meer bij zusters. Ook zaten er jongens in de klas en dat was heel leuk. Ik was op twee jongens verliefd, maar ik kon niet kiezen. Je moest nu met je “pukkel”, zo heette de schooltas, naar school en al je boeken, klappers en agenda erin meeslepen. Elke les moest je naar een ander lokaal. Ik koos hockey voor de zaterdag: erna moest je ijskoud douchen, maar even later werd je heel warm en dan tintelde het van leven! Bij onze buurjongen werd bij hockey wat van zijn tanden afgeslagen. We hebben een keer niespoeder gestrooid bij een lerares op haar tafel en daarna allemaal keihard gelogen, dat wij dat niet waren! Voor straf nakomen, maar dat hoorde erbij. In ons vriendinnenclubje moesten we af en toe een moedproef doen. Het moeilijkst vond ik het lopen over de kapotte spoorbrug, want daar was geen grond onder, alleen water. Ik durfde niet “nee” te zeggen en ik duwde mezelf erover heen. Ik was heel bang, maar wilde erbij horen! Heel spannend was het aanstaande schoolreisje, nu met jongens! Thuis hoorde ik net kort daarvoor, dat mama precies dezélfde dag had afgesproken met een fotograaf om foto’s van ons kinderen te maken. Vertwijfeld riep ik: “mama, maar dan heb ik toch schoolreisje!” Ze zei: “dan ga je toch?” Ik vond het zo gek, kon het niet geloven. Toen ik later die prachtige foto’s van de andere kinderen zag, deed het zo pijn! Hoor ik er dan écht niet bij, ik ben toch ook hun kind?! Van mij stond er ook nooit een foto in de kamer. Het schoolreisje zelf was geweldig. Wel kreeg ik nu ook broodjes mee en geen boterhammen, dat deed mama altijd bij schoolreisjes. Ik zat met een jongen in een achtbaan: voor de eerste keer in mijn leven. Ik kende het niet, heb alles bij elkaar gegild: hoogtevrees! Onderweg deed hij wel zijn arm om mij heen, dat voelde fijn, ik werd er sterker van. Ook deed ik in de bus een wedstrijdje met een andere jongen: ik zat op mijn knieën en keek dan naar de jongen achter mij. Je moest elkaar, zonder te knipperen, zo lang mogelijk in de ogen kijken. Ik was behoorlijk goed, het was spannend en leuk, maar ik was niet verliefd op hem. Er was ook een Franse week. Alle lessen gingen over Frankrijk en we leerden de Marseillaise zingen. De hele aula stond vol kraampjes, alles was anders, hun eten kon je ook proeven. Ik vond het knolgezellig en leerde zo écht iets van Frankrijk kennen, net of ik door een venster naar de wereld keek. Ik vond de HBS heel leuk. Het was alleen rot bij wiskunde: de leraar kon mij niet uitstaan, ik begreep zijn uitleg niet. Als het meisje naast mij het uitlegde, snapte ik het meteen. Ik kreeg bijles van een wiskundeleraar van pappa’s school, hij had zelf nooit tijd mij te helpen en ik mocht hem nooit om uitleg vragen. Mama was veel weg en het dienstmeisje wist het ook niet. Ik mocht kiezen of ik bij het koor of orkest ging, koos het orkest en ik speelde blokfluit. Bij de uitvoering zat ik op het podium op de eerste rij. Mama had nylons gekocht voor mij, want dat hoorde bij een concert. Ik moest langzaamaan eens gaan oefenen om dame te worden, vond ze. Ik haatte die krengen, want dat zat stom om je benen met die jarretels! Een jongen uit mijn klas vertelde me lachend na het concert, dat ik dan wél op de eerste rij mijn benen bij elkaar moest houden: je kon d’r zo in kijken! Nou, toen wilde ik helemaal geen nylons meer en dat gedoe van “dame worden” kon me gestolen blijven. Gelukkig kwamen er panty’s dat jaar daarna, toen was ik gered!
Als wij ’s avonds zaten te eten, kwam papa altijd later. Hij zat nog in allerhande besturen en was weinig thuis. Als hij de eetkamerdeur dan nog maar half open had en ons nog niet eens zag, dan zei hij altijd al: “psst, niet zo hard!” Stomme vent! Ik was een keer zo kwaad op hem, dat ik opstond en mijn bord met spinazie naar de kachel gooide. Onze gaskachel had bovenop allemaal richeltjes, daar droop de spinazie mooi in en verbrandde, stonk goed. Ik rende naar boven naar de badkamer en schreeuwde: “ik haat je!” De badkamerdeur kon je op slot doen en die kreeg mijn vader niet open. Hij rammelde en brulde aan de deur en ik bleef stil. Wij moesten altijd excuus aanbieden, dus na een tijdje ging ik naar beneden naar de keuken, waar mijn moeder bezig was en zei dan: “mama, ik bied je mijn excuses aan, maar ik meen het niet”. Ik snapte niet dat het dan goed was voor mijn ouders, voor mij klopte het níet! Zij deden dan altijd weer normaal, maar voor mij voelde het net als een toneelstuk! Na een andere ruzie was ik ook weer naar boven gevlucht. Later sloop ik naar beneden en hoorde bij de eetkamerdeur hoe papa aan mama vroeg: ”haat ze me nou echt?” En mama zei van niet. Nou, dat had ze mooi mis: ik haatte hem van ganser harte! Een keer werd ik ten onrechte bestraft voor iets wat ik niet had gedaan. Mijn vader sloeg mij zó hard, dat ik op de grond viel, op mama’s handgeknoopte kleed! Mijn kleine zusje stond erbij. Toen ik daar zo op de vloer lag, voelde ik zoveel haat, dat ik écht mijn vader wel kon vermoorden! Daar schrok ik zó ontzettend van, ik verlamde mezelf en zette mijn woede op slot. Je moest je ouders eren, vierde gebod. Omdat mijn zusje erbij stond, moest ik het voorbeeld geven! Achteraf gezien functioneerde dat op slot zetten van die woede prima, namelijk tientallen jaren. Het kostte veel inzet bij een therapeut later om die oude “op-slot-zet-code” te knakken!
Het kwam ook vaker voor, dat mijn vader thuiskwam en mij dan een afspraak meedeelde. Ik hoorde, dat ik op een bepaalde dag om een bepaalde tijd bij kapelaan Willemsen, die MS had, of de oudnotaris werd verwacht. Hij had dan, zonder mijn medeweten, een afspraak voor mij gemaakt. Ik vond dat zo min, zo ga je toch niet met anderen om?! Bij kapelaan Willemsen mocht ik ook op zijn piano spelen, dat kon hij niet meer zelf, maar hij had heel moeilijke muziek! En die oudnotaris was een lieve man, daar ging het niet om, maar ik wilde gekend worden in afspraken voor mij! Bij de oudnotaris leerde ik liederen van Schubert zingen. Blijkbaar had mijn vader wel een goede indruk van mij, maar dat vertelde hij niet aan mij, nee hoor! Van hem ken ik alleen maar eisen en kritiek. Altijd had ik het gevoel dat ik het leven van Henkie, dat hij nu niet meer kon leiden, alsnog voor hem mee moest leven. Ik leidde als het ware een dubbelleven. Volgens mij had mijn vader liever gehad, dat ík gestorven was in plaats van Henkie! Van anderen hoorde ik, hoe trots mijn vader was op mij, maar NEE, daar had ik niets aan. Zelf zei hij nooit iets positiefs tegen mij. Dat via anderen horen, telde voor mij niet: graag persoonlijk tegen mij, bij kritiek lukte hem dat prima!
Mama ging vaak niet mee naar de officiële gelegenheden zoals een receptie, dan moest ik plaatsvervangend meegaan. Later hoorde ik van dienstmeisjes, dat ik bij het spelen weggeroepen werd, dan snel wassen, mooie kleren aan: met papa mee. In de puberteit droeg ik ook wel eens mama’s kleren, daar sta ik nog mee op de foto. Bij al dat officiële gedoe was ik niet gauw onder de indruk van al die zogenaamde hogere functies: ik keek altijd naar de méns. Als er bezoek was, mochten wij twee oudsten toastjes maken in de keuken. Mama had geoefend met ons, zij had het voorgedaan en ons geleerd hoe je kon variëren met de ingrediënten: samen moest het goed smaken én er leuk uitzien! Eerst deden we dat in pyama, maar toen we groter werden, mochten we in onze nette kleren de toastjes zelf presenteren en soms even bij het bezoek komen zitten. Dat was gezellig. Het rottige was, dat ik altijd bij bezoek na het eten van mijn ouders moest pianospelen. Dat voelde niet fijn, het was net voorspelen voor een jury.
Op een morgen kwamen wij allemaal van het zwemmen terug en stonden we buiten nog wat te kletsen. Mijn vader klopte op het raam voor in de erker en hij wenkte naar mij, ik ging naar de voorkamer. Hij hield mijn overgangsrapport in zijn handen en was heel kwaad: ik was blijven zitten…! Ik schrok zo ontzettend, want daar wist ik niks van. Altijd hoorde ik bij de besten, dit kende ik niet. Hij brulde me toe: “Hoe kun je blijven zitten, als je zo begaafd bent?!” Híj had in Rotterdam altijd prijzen op de HBS gewonnen! Zoiets deden Miedema’s niet! Maar hij wist wel een oplossing: als ik niet mijn best deed, moest ik maar naar kostschool! Ik was altijd al lastig en nou had de dokter ook gezegd, dat mama teveel kinderen had. Er moest dus één kind weg en omdat ik zo lastig was én nog was durven blijven zitten, was ik dat. Hij stond er als een engel der wrake bij met uitgestrekt zwaard, eh… arm, richting straat naar buiten: het huis uit met jou! De jongste zou naar de kleuterschool gaan, die kon hij nu toch niet het huis uitsturen. Nee, dat vond ik ook te erg voor zo’n klein kind, wist ook niets anders. Ik kon er met niemand over praten en mama mocht je niet lastig vallen, die lag weer in het ziekenhuis. Ik schaamde me diep voor de anderen en vond het zo erg: ik hoorde er dus niet meer bij en thuis was ik niet meer welkom! Door mij kon mama alleen maar zieker worden en dat wilde ik echt niet. Dit was het leukste schooljaar geweest, maar dat mocht dus blijkbaar niet. Je ontliep je straf niet als je soms lol had en niet honderd procent voor de school ging. Die stomme prijzen van papa stonden op zolder, ik kende ze wel: encyclopedieën met boekensteunen. Alleen die fazant, die was opgezet, vond ik wel mooi, maar die was geen prijs! Mama zei later, dat ik in Limburg naar een of andere chique kostschool moest, maar die bleek allang vol: te laat aangemeld.
Datzelfde hoorden ze ook bij de andere internaten, die zij uitkozen. Toen wisten ze het ook niet meer en ik werd hier maar in Groenlo aangemeld bij het pensionaat Sint Josef. De zusters kenden mij van vroeger en ze keken ervan op, dat ik was blijven zitten. Ik was altijd de jongste van de klas, maar toch hoorde ik bij de beste leerlingen qua prestaties. Ze besloten, dat ik daarom toch in de tweede klas mocht beginnen. Maar daar hadden ze al Duits in de eerste klas gehad, wij op de HBS niet! Papa kende weer iemand, die was leraar Duits, dus nu elke morgen naar Beltrum fietsen. Hij zou na de vakantie ook op het pensionaat beginnen, net als ik. Die leraar vond het ook niet zo leuk dat ik elke dag kwam, maar in ruim één maand moest ik een jaar inhalen. Hij was verliefd op een Duitse lerares: als ik naar huis terug fietste, fietste hij naar haar in Zwillbrock. Hij merkte nooit, dat ik de naamvallen niet goed kon. Ik bouwde de zin gewoon anders.
Op kostschool bracht je een bepaalde uitzet mee, de lijst daarvoor werd je van tevoren toegestuurd. Ook moest je elk deel nummeren, dan konden ze je spul terugvinden. Ik kreeg nummer twee en dat moest je eerst bestellen bij een winkel om te laten weven. Na mijn Duitse les ‘s morgens, zat ik ’s middags de nummertjes bij elk kledingstuk eraan te naaien. Alles wat ik nodig had ging zo door mijn handen. Ik moest spullen kopen, die ik nog niet had. Toen mama weer thuis in bed lag, liet ik haar alles zien. Zij keek dan of het goed was. Ik vroeg of ik die ene jas mocht hebben. Ze zag, dat ik het graag wilde en het mocht. Ze probeerde ook een keer mijn hand vast te houden, maar dat kon ik niet hebben, want dan zou ik mijn hart openen. Dan zou ik haar alles vertellen: wat papa tegen mij had gezegd, hoe pijn dat had gedaan, hoe geschrokken en verward ik was van alles wat er nu gebeurde, dat ik helemaal niet weg wilde, dat ik er wél bij wilde horen en dat ik haar hélemaal niet ziek wilde maken… Maar dat kon niet, ik mocht haar niet belasten! Bij de officiële aanmelding was mama er later wel bij. We zaten met de directrice in de spreekkamer, daar bespraken mama en Soeur Joanna alles met elkaar. Mij vroeg ze alleen of ik Treesje of Trees genoemd wilde worden. Ik zat er wel bij, maar was er niet écht bij, alles voelde zó vreemd. Ik snapte niet wat er bijna allemaal tegelijkertijd gebeurde: zó’n slechte punten kende ik niet, voor het eerst van mijn leven blijven zitten, van school af, uit huis gezet door papa en nergens meer bijhoren… Weet mijn antwoord niet meer: Trees vond ik een lelijke naam, maar Truus vond ik nog erger. Ik moest wel een keuze maken tussen typles en pianoles, na die drie jaar les wilde ik absoluut doorgaan met piano! Met mijn vingervlotheid zou ik later snel het typen leren, dacht ik. Toen het thuis bekend was, dat ik na de vakantie naar het pensionaat zou gaan, vertelde mijn jongste zusje dat ik “met pensioen” ging.
Ons dienstmeisje bracht mij weg, die ene kilometer vanaf ons huis, de koffer achterop de fiets en wij te voet ernaast. Later sprak ik haar nog eens en ze vertelde nóg met afschuw, dat ze het verschrikkelijk vond voor mij destijds, dat mijn ouders mij niet zelf wegbrachten. Ik weet zelf niets meer van een afscheid, want ik had mijn gevoel op slot gedaan. Als ze thuis iets hadden gedaan wat me had geraakt, dan wist ik dat nog wel! Niemand wilde weten wat ik ervan vond, hoe het voor mij was. Ik was zo gewend aan de uitspraken van thuis: je kunt haar overal heensturen, ze heeft nooit heimwee. Ik geloofde dat zelf ook, dat zei toch iedereen?! Nooit vroeg ik mezelf af of het wel klopte. De andere leerlingen werden met auto’s gebracht en de familie ging mee om de koffers te dragen.
Ik was alleen: het dienstmeisje had mij op straat onderaan de trap bij de voordeur af-gezet. Ze moest meteen weer naar huis, ze lag nu al achter op schema! Ik was nieuw, maar mocht niet bij de nieuwelingen staan: ik ging toch naar de tweede klas. Ik kreeg een slaapzaal toegewezen en hoorde welke zuster daar ook sliep. Mijn chambrette lag direct naast dat van Soeur Thérèse! De zuster mocht elk moment jouw chambrette binnenvallen en jij mocht nóóit naar een ander chambrette gaan, dan werd je als straf weggestuurd. Dat moesten we niet hebben, ik wist hoe níet welkom ik thuis was! Het chambrette had in plaats van een deur een gordijn, was open van boven: geen plafond, alleen heel hoog zag je dat van de slaapzaal. Je kleerkast moest heel precies ingedeeld zijn, de stapeltjes kleren messcherp op elkaar. Zo niet gooide de zuster bij controle de hele zwik op je bed en kon je het nu, zoals gewenst, inruimen! Pas na controle en haar oké, mocht je naar bed. Om de vier weken ging je van zaterdagmiddag tot zondagavond naar huis. Dan poetste je vrijdagavond je schoenen: je zette de gepoetste schoenen voor het gordijntje neer bij het naar bed gaan, zodat de zuster het meteen zag. Die schoenpoetsgeur is me nog steeds dierbaar. Er waren weinig wc’s op de slaapzaal en je mocht ’s nachts nóóit naar de wc: gewoon ophouden! Vond ik stom, wij hadden nierziektes in de familie. Mama had ons geleerd veel te drinken en goed voor jezelf te zorgen, dús moest je ook op tijd naar de wc gaan! Maar hier golden andere regels…Op de uitzetlijst stond ook stoffen maandverband met een bijpassend gordeltje. Daar keek ik wel van op, er was al weggooiverband te krijgen en dan had je mooi dat verhipte gordeltje niet nodig. Mijn jaar van de bevrijding: panty’s in plaats van nylons met hun jarretelletjes; nu ook nieuw weggooiverband, dus ook geen gordeltjes, zo wilde ik wel verder! Thuis stond in de bijkeuken een, beetje verstopte, pan met koud water waar de gebruikte verbandjes inweekten. Bij genoeg verband, kwam alles in een grote pan op het fornuis in de keuken om uit te koken en met een grote houten knijper roerde je het om. Hoe ging dat hier? Dat was gauw bekeken, letterlijk en figuurlijk. Je kreeg een stoffen zakje en dan ging je met je verbandje in dat zakje naar de wc, in de rij aansluiten. Als je dan op de wc zat, kon je daar je genummerde verbandje kwijt: de zústers wasten het dus! Ik heb nog een foto waar je de rij ziet staan voor de wc. De meisjes van wie je één hand niet ziet, die waren ongesteld en verstopten hun zakje. Je toonde dat de anderen niet, was dat schaamte?! Al gauw merkte ik, dat ik me het fijnst voelde als ik ’s avonds opgelucht mijn chambrette inliep: eindelijk alleen en gewoon mezelf mogen zijn! Dat bleek een misrekening: 24 uur was de controle gaande! Een poosje gingen er meisjes op onze slaapzaal op de bedkant staan, dan zagen ze elkaar en communiceerden. Precies weet ik het niet, want ik hoorde erover toen ze met een preek bestraffend toegesproken werden, altijd voor verzamelde menigte! Het werd rustig op de zaal na die preek. Eh, niet echt, bleek later: in die tijd ontdekte ik verder mijn lijf, wat ik heel normaal vond met dertien jaar. De zuster naast mij hoorde, dat ik niet stil lag te slapen. De volgende morgen werd ik, ook voor verzamelde menigte, heel streng toegesproken: dat ik tóch nog doorging met het spel van op de bedrand staan, hoe durfde ik?! Dat ontkende ik. Toen ontplofte ze bijna: ”ik hoorde het toch, wat deed je dan?!” Tja, dat kon ik voor al die anderen niet zeggen, ik beet mijn lippen bijna kapot. Dat was te privé voor mij! Er kwam een vergadering om te zien of ik nog wel mocht blijven of naar huis werd gestuurd. Als in doodsnood voelde ik me, want ik kon toch niet thuis zijn, had papa gezegd. Waar moest ik dan naartoe?
In mijn nood meldde ik mij bij de biechtvader, hij kwam van het klooster Loreto in Lievelde, de paters Maristen van de HBS. De pater luisterde heel aandachtig, hij wilde meer weten van wat ik dan in bed had gedaan. Ik blokte hem wat af en zei:“de andere meisjes vinden toch al, dat ik te lang in de biechtstoel zit”.Dan moest ik de eerst volgende vrije zaterdag maar naar het klooster komen, dan zouden wij met zijn tweeën er nader op ingaan in hun spreek- kamer. Dat deed ik niet, want het voelde niet goed en veilig. Ben ook nooit meer wezen biechten, terwijl het toch mijn enige plek was geweest, waar ik kon praten over datgene, waar ik mee zat!
Qua outfit veranderde er dat jaar wel wat: in de klas merkte ik, dat ik niet goed kon zien op het bord, dus kreeg ik een bril. En zondags droegen we ons uniform: een donkerblauwe rok met bijpassend jasje, daaronder een witte bloes. Kniekousen in de zomer, sokjes dragen mocht pas “als de mussen van het dak vielen”. Zondags wist ik, hoe laat mijn vader en mijn zusjes naar de kerk gingen: de mis van kwart over elf. Zondags hadden we meer vrije tijd, dus dan zorgde ik ervoor, dat ik in mijn uniform op de brug stond en hen kon toezwaaien! Vanaf de brug had je vrij uitzicht op de kerk en de weg voor de kerk. Dat voelde heel verdeeld: enerzijds was ik blij ze te zien, anderzijds voelde ik de pijn van het niet erbij te horen. Een jaar later kon ik hen samen met een vriendin toezwaaien, dat voelde beter! De klasgenoten wisten, maar niet van mij, dat ik van de HBS kwam. Ze dachten, dat ik het hoog in de bol zou hebben en ze behandelden me dan ook alsof ik me zo gedroeg. Aansluiting vinden bij hen lukte nauwelijks terwijl ik niets liever wilde dan erbij horen, want ik voelde me zo alleen. Maar zij waren al een jaar samen en hadden hun vriendinnengroepjes al gevormd. In de pauze gingen de anderen naar buiten op de cour; ik moest in de klas blijven en vast de volgende opgaven op het bord schrijven: ik had zo’n mooi handschrift! Wilde ik niet, wilde naar de anderen toe, maar steeds kreeg ik andere opdrachten. Ik kan snel lezen en dat werd mijn probleem daar. ‘s Zondagavonds zaten we in ons kláslokaal te lezen in plaats van in de studieklas. Dan gebruikte de zuster de platenspeler en draaide lp´s. Het was altijd weer spannend welke muziek ze koos, wel vaak de Wiener Sängerknaben. Wij lazen gewoon leuke boeken van school. Als je jouw boek uit had, gaf je het terug en dan kreeg je een nieuw boek. Niet bij mij: de zuster geloofde niet, dat ik zó snel las! Eerst moest ik een opstel schrijven over het boek, dan konden ze checken of het wel klopte. Voordat het opstel gelezen was, duurde het. In de tussentijd moest ik dan een wandkleed borduren. Er zijn daar meerdere wandkleden gedecoreerd door mij! Dat kan ik nu wel heel stoer zeggen, maar wat ik zo miste, was het even kunnen ontsnappen aan die wereld met het wegkruipen in een verhaal. Ook voelde ik me voor iets af-gestraft van mij wat ik kon, de zoveelste ontkenning! De kennismaking met het snel kunnen lezen was blijkbaar doorgegeven, vaak moest ik in Soeur Joanna’s kamertje komen en dan schoof ze me een stapel boeken toe met de opdracht ze daar te lezen. Ik moest haar dan adviseren, welke boeken ik passend vond voor medeleerlingen. In mijn vrije tijd kon ik dus enerzijds wel weer lezen, maar nu was het opgelegd en niet de door mij uit-gekozen boeken. En weer lukte het niet om met de anderen samen te zijn!
Omdat ik behalve piano ook blokfluit speelde, werd ik voor elke “gezellige“ avond in-gepland om te spelen, voor mijn gevoel. Ik was heel nerveus, een keer viel bij het spelen de fluit uit mijn glibberige handen op de grond!
Verder zong ik in het koor “De Merels”, waar Soeur Joanna de dirigent was. Ze zei, dat ik solo moest zingen, omdat ik mooi hoog kon zingen. Ik voelde me zo’n vreemde eend in de bijt, maar ik wist niet hoe ik dat moest veranderen. Via de muziek vond ik aansluiting bij een meisje, Ineke Tobi. Ze speelde prachtig altblokfluit en samen hebben we fijn muziek gemaakt. We speelden vooral sonates voor fluit en piano van Händel, daar heb ik mooie herinneringen aan. We waren idolaat van Frans Brüggen. Thuis lachten ze me uit om mijn muzieksmaak: werd “oude oma” genoemd. Adamo was nu in en later de Beatles, maar ik wist echt niet wie dat waren. Van mijn zakgeld kocht ik LP’s: de Brandenburgse Concerten van Bach. Bij hoge uitzondering mochten we allen in de aula naar de televisie kijken in november: we zagen de begrafenis van Kennedy.
In deze begintijd ontwikkelde er zich een, voor mij onbekend, fenomeen: elke vrijdagmiddag moest ik naar een klaslokaal. Daar wachtte Soeur Cathérine, onze lerares Engels, mij op. Ja, ik had wel vaker preken gehad, maar dit was van een geheel andere orde! Níemand wist hiervan, de anderen zaten allemaal in de studieklas in een gebouw over de gracht. Ons schoolgebouw en de aangrenzende kleuterschool waren leeg. Ik heb er nie-mand over verteld, want mijn intuïtie zei mij dit maar beter te verzwijgen en ik schaamde me ook. Zij was groot en tamelijk slank, ze had bruine ogen en een bril, die zeer sterk vergrootte. Het leek wel of de gehele brillenglazen met haar ogen werden gevuld! Zij stond achter de lessenaar, ik stond voor dat meubel, keek haar aan en luisterde naar datgene, wat ze mij vertelde. Ik weet hier nog weinig van, omdat ik mij totaal op slot zette. Het deed té pijn, hoe zij met mij omging elke vrijdagmiddag. Wat ik nog weet is dat zij mij toebeet: “jij moet dúbbel gebroken worden, want jij bent Fries!” Ik voelde waanzinnige bedreiging van haar uitgaan, maar snapte gelijktijdig niet waar ze het over had: ík was Brabants, onze ópa kwam uit Friesland! Mensen zien Friezen soms als koppig, dat wist ik wel. Toch kon ik haar uitspraak niet met mij rijmen. Ik snapte er niets van en wáarom moest ze mij eigenlijk zo pijn doen? Ik stond voor haar, maakte me van binnen zo goed mogelijk dicht, wat niet helemaal lukte. Ik dacht alleen nog maar: jij zult níet zien, hoe pijn jij mij doet! Ik kneep mijn nagels heel diep in mijn handen om nog een beetje de baas te blijven over mijzelf. Mijn handen kon ze niet zien, omdat die verdwenen achter de lessenaar. Die vuurspuwende draak wilde mij vermorzelen en verslinden. Haar waanzinnige ogen zogen me op, ik kon gewoon nergens anders meer naar kijken, het was gewoonweg hypnotiserend! En opeens was het afgelopen en kon ik gaan, totaal gedesoriënteerd! Over dit verbijsterende kon of durfde ik met niemand te praten: was ik zo’n verschrikkelijke persoon dat het van thuis weggestuurd worden blijkbaar niet voldoende was?! Hier kwam een vermorzelende lading er nog bovenop! Zij vond dat ik totaal anders moest zijn. Ze had het toch over dúbbelbreken, was dan één keer breken niet genoeg, was het zo erg gesteld met mij? Moest ik mezelf dan “uitgummen”, een nieuw persoon worden naar wens van mijn omgeving, op school en thuis…?!
In het volgende lied “Tu lo sai”, jij weet het, van de Italiaanse componist Torelli druk ik met mijn tekst deels uit, wat ik destijds beleefde op twaalf- en dertienjarige leeftijd:
Lied op de melodie: “Tu lo sai”, Giuseppe Torelli
en na tien jaar moest ik weer weg, moest weer van huis naar ’t pensionaat. Papa stuurde mij heel streng weg: ik was veel te lastig! Op die school was ’t voor mij een hel, want ik hoorde er niet bij. En niemand wist wat er gebeurde, elke week bij Soeur Cathérine… ‘k Kon het niet delen, werd weer zo stil, moest optreden en was zo bang. Hoor er niet bij, wat moet ik dan?! Hoor er niet bij, mijn leven lang.
Bij Soeur Cathérine kon niemand ons zien, ik alleen wist wat zij mij vertelde. Ogen reusachtig dwongen mij, daar verzonk ik totaal in. En zij moest mij dúbbel breken: ik was Fries en dat was fout! Ik was niet goed, moest totaal anders zijn, was zo niets waard, moest hoe zij wilde! Ik stond stil, helemaal verstijfd, gezicht versteend, nagels in mijn handen. Jij zult nooit zien, hoe pijn dit doet. Toon niemand meer hoe pijn ik heb.
Onderhand kroop ik soms over de vloer van de buikpijn. Mijn moeder ging met mij naar de internist in het ziekenhuis. Zijn onderzoek leverde niets op, dus had ik niets… Mijn moeder leverde me met deze informatie weer bij de kloosterpoort af. Dit nieuwtje verspreidde zich snel en ik kreeg de titel “aanstelster”. Dit eerste jaar was de hel voor mij. Nooit mochten we op de cour met zijn tweeën lopen, altijd met meer; waarom was me een raadsel. Nu werd ik toch aangesproken op de cour door een tamelijk populair klasgenootje, ik voelde me al zwaar vereerd. Dit verminderde acuut na haar uitspraak, dat ik maar eens moest stoppen met zo arrogant te doen. Mijn God! Ik, die innerlijk zo schreeuwde om liefde, ac-ceptatie en erbij horen; ik, die zo’n moeite had het allemaal te bolwerken, ik zou ook nog arrogant zijn…?! Ik wist het niet meer, kon niets meer zeggen. Mijn klasgenoten zagen mij dus ook niet. Ik keek hoe anderen zich gedroegen en begon hun gedrag maar te kopiëren. Misschien was dit dan de, hopelijk juiste, weg om het hier te overleven.
Als ik het weekend naar huis mocht, dan gedroeg ik me als een gast de eerste paar uur. Pas daarna kon ik meer mezelf zijn. Tja, mijn gastgedrag werd echter duidelijk meer op prijs gesteld. Mijn jongste zusje mocht, in het bijzijn van mijn ouders, zeggen: “ga jij maar weer terug naar die kostschool van jou, als het je hier niet bevalt.” Mijn ouders zeiden daar niets van. Eén ding wist ik zeker: dat had ik vroeger niet hoeven te flikken, dan had het geknald! Ik wist niet meer, hoe ik alles nog bij die pijn uit moest houden. Mijn ouders tole-reerden dit stilzwijgend, maar dán waren ze het er toch mee eens…?! En díe trut had ik nog wel gered van het uit huis gaan, omdat ze zo jong was! Het liefst had ik me geweldig uitgeleefd en alle ellende van me afgeschreeuwd, maar ja, waar zou dat dan weer toe leiden? Misschien mocht ik dan wel helemaal niet meer naar huis…!
Ik klapte volledig dicht en ben alleen nog maar de ijverige en brave leerling geweest. Ik had bij Soeur Cathérine geleerd, dat ik vanuit mezelf zó minderwaardig was, dat ik geen recht had op bestaan. Door maar te doen, wat ze van mij wilden, zocht ik een weg om dit te overleven. Dus braaf voldoen, hoe zenuwachtig ook, aan al hun wensen voor mijn solo optredens. Dan werd ik getolereerd. Ik vroeg me nooit echt af hoe ik me erbij voelde. Van school gestuurd worden, was voor mij een niet uit te houden schrikbeeld: waar naartoe in godsnaam?! Niemand durfde ik te vertellen van de preken hier. Andermans naam door het slijk sleuren… tja, wie zou mij geloven? Ik zag geen uitweg, moest hier nou eenmaal zijn. Thuis en hier lukte het niet, aan later durfde ik niet eens te denken. Ik voelde mij niet serieus genomen, innerlijk veranderde ik in een soort zombie. Uiterlijk deed ik wel mee: ik kon anderen goed om de tuin leiden door soms de clown uit te hangen, dán vonden ze me leuk! Het moeilijkst was vooral om Soeur Cathérine overdag te zien, om te weten hoe zij de boel misleidde. Ik moest het stilzwijgend op school aanzien en tolereren.
De volgende tekst geeft ongeveer aan, wat zij zaaide bij mij en wat eruit voortkwam:
Soeur Cathérine, mijn beul
Zij zoog me op met haar ogen, zij vermaalde me met haar kaken en spuugde mij uit als een marionet!
Als rechtvaardiging van mijn bestaan, moest ik steeds als solo vóórgaan: zingend, spelend op piano of fluit, stiekem met een geheime boodschap er op uit, boeken adviserend, borden volschrijvend, dán telde ik mee, dan mocht ik er zijn, voor mij was dat echter een wereld van schijn. Niet samen met de anderen, niet over praten, want ik liep toch al zo in de gaten! Mijn optreden werd van hoger hand opgelegd, nooit plaats voor wat mijn hart ervan zegt.
Na jaren voor elk concert zo ziek, het ging niet meer, ik stopte met muziek. Geen zingen meer in ’n koor, dit verscheurde mijn hart, ‘k kon zo niet door!
Ik liep alleen door een woestijn, ik kon niets meer met deze staat van zijn, niemand begreep mij in deze staat, ze vroegen wel hoe het met me gaat. Ik kon het niet zeggen, begreep het zelf niet, liep alleen over van verdriet.
Adieu marionet, keer weer terug naar die wie je bent, terug naar je hart, dat je diepste zijn kent. Geen starre regels, anonieme gestalte, schim van jezelf, toon je ware gehalte. Nu is het tijd voor het volle licht, stel je open en toon je ware gezicht, voel je voeten die de aarde ontmoeten, adem de stroom en begin te bewegen, wieg jezelf en zing van het leven.
Vanuit de diepte mag het nu klinken, al wat je zo lang hebt weg laten zinken, jaag er een storm door en ga er nu voor, ruimte, lucht en heel veel licht, weg met al, waarvoor ooit gezwicht. Laat je gevoelens stromen, nu mag alles komen, verlos je uit je bevroren staat, durf te ontdekken hoe dat gaat: weg met die rem, laat horen die stem!
Klim uit de diepte naar ongekende hoogte, jubel en schreeuw van je leven in droogte, wordt de leeuwerik die in je zit, een vrouw met moed en heel veel pit! Durf er te zijn en durf te beven, het klinkt in mij voor wie durft te beleven.
Als je ziek was, moest je naar de ziekenzuster, de cour over naar een ander gebouw. De zieke meisjes stonden op een rij, je onderbroek naar beneden, bukken en de ziekenzuster schoof een thermometer tussen je billen. Dan stond je een poosje in die houding en dan hoorde je het oordeel. Meestal hoorde je: “terug naar je klas”. Nou ja, dan schoof je rouwmoedig als zogenaamde aanstelster weer op je plaats. In december lag ik op de ziekenzaal met een klasgenootje. Ik wist niet wat ik had. Nou ja, in ieder geval hoge koorts: we moesten ook meten en de thermometer aan de zuster tonen. Geen dokter gezien in al die tijd! Je eten, vaak grutten met stroop, werd drie keer per dag gebracht. Verder zag of hoor-de je geen mens. Mijn moeder bracht een keer een fruitmand, maar ik kreeg haar niet te zien. Ik heb het fruit met het andere meisje gedeeld. Ondertussen vroor het hard en ze spoten water op de cour, dat zagen we van boven uit het raam. Wij wilden daar ook aan meedoen. We hebben wat rondgehopst in ons ondergoed om af te koelen en die koorts kwijt te raken! Toen het kerstvakantie werd, mochten we naar huis. Thuis liet mijn moeder meteen de dokter komen: nierbekkenontsteking! Nu mocht ik in de voorkamer op de bank liggen. Dan hoefde mijn moeder niet steeds naar de zolder, die twee trappen op. Ik kon even genieten van zorg en gezelligheid. Mijn moeder vertrouwde het niet meer zo zeer en ik hoefde pas een tijd na de vakantie terug.
Elke woensdagmiddag gingen we wandelen: twee aan twee in een lange rij en twee zus-ters achter afsluitend. De lange stoet liep elke keer een andere route rondom Groenlo, twee uur lang. Na een uur, zo op de helft, kregen we een lolly in de pauze. We kwamen soms in de buurt van mijn ouderlijk huis. Ik lette goed op welke straat we namen. Naar willekeur der twee zusters mocht ik wel of niet even naar huis rennen, maar pas vanaf twee huizen ervoor! Achterom via de bijkeuken de keuken inrennend, vroeg ik hijgend het dienstmeisje of mama in bed was. Dan mocht ik namelijk niet storen en rende ik dus door naar de snoepjeskast in de voorkamer. Daar zag ik door het raam de rij voorbijlopen, dan moest ik er snel achteraan! Het gaf een raar gevoel: die spanning, die voorvreugde, dat rennen, maar waarvoor?! Uiteindelijk voelde ik me ondanks de snoepjes leeg. Via de grote, stalen poort bij de gracht vertrokken en arriveerden we ook altijd. De zusters waren zeker bang, dat er gedoe met jongens zou kunnen komen. Geen item voor mij, ik had het te druk met overleven. Bovenop de muren van het complex waren glasstukken én prikkeldraad! Er is destijds wel een meisje weggelopen, op zo’n idee zou ik nooit komen. Ze kwam nooit meer terug.
We zouden de operette Repelsteeltje opvoeren! Dat gaf grote drukte: wie mocht er meedoen, welke rol kreeg je? Ik kreeg de rol van prins. Aangezien de prins een man was, meende men destijds, dat je dan kort haar had. Maar ik was al langer bezig mijn haar te laten groeien! Mijn moeder móest vroeger juist lang haar hebben, wat ze niet wou. Ze had toen gezworen, dat háár dochters later kort haar mochten hebben! Echter, ik wilde láng haar! Onze directrice wist dat, want dat had ik haar wel verteld. Ze besloot mijn moeder over dit thema te bellen en ze vond bij dat gesprek een uitstekende bondgenote! De dames besloten in hun oneindige wijsheid, dat het noodzakelijk was dat ik kort haar had! En nóg een gevolg van die rol: we zouden kostuums dragen uit de oude tijd. Ik werd in een soort fluwelen pofbroek gehesen met bijpassend bovendeel en droeg een muts met een veer op mijn gekortwiekte lokken. Zwaar gedistingeerde mannelijkheid!
De broek “pofte” echter beter, als je die pijpen met verfrommelde kranten opvulde. Mijn puberteit toonde zich onder andere graag bij mijn heuppartij, dat ook nog zo te accen-tueren! Voelde me van top tot teen in een vreemd keurslijf gedwongen. Echt niet mijzelf: maar wel passend als metafoor voor het keurslijf, wat ik daar moest dragen!
In de daarop volgende zomer was het behoorlijk warm. Op het bordes stonden de Soeurs Joanna en Cathérine in hun zwarte kledij te puffen. Ik herinnerde me hun woorden van verleden jaar over vallende mussen. Ik zou ze krijgen! Poeslief sprak ik ze netjes aan: “Soeur Joanna, vallen nú de mussen van het dak?” Oh, wat hadden de dames een lol, dat Treesje dát nog wist! Ja, eindelijk mochten we sokjes dragen! Ja, Treesje was wel goed maar niet gek. Ik begreep, hoe ze het gehad hadden willen hebben. Nou, ik deed wel mee! Er werd aangepast gedrag geëist, ijverig en netjes. Het werd wel niet gezegd, maar stilzwijgend straalden ze uit: graag gevarieerd van lichtelijke tot zware onderdanigheid!
In de derde klas zou er weer een nieuw meisje komen. Toen ik dat hoorde besloot ik, dat het nu anders zou gaan: afwijzende houding van anderen zou ik voorkomen! Meteen ben ik naar haar toegegaan en heb haar direct aangesproken. Alles wat ik zelf had gemist, gaf ik haar: ik wilde het voor haar gemakkelijker maken! Wij raakten bevriend en zijn dat nog steeds! In plaats van thuis de vakanties door te brengen, waar ik er toch niet toe deed, ging ik zoveel mogelijk naar haar toe. Soms was mijn moeder erg kwaad dat ik weer bij haar ging logeren, dan beet ze me toe: “durf niet later weer te bellen, dat je langer blijft!” En zo werd, behalve de Achterhoek, Twente zeer dierbaar voor mij. Ik genoot van het aanschuiven in een groot gezin, de groeiende aanhang en ik draaide er gewoon mee. Daar werd ik niet alsmaar bekeken en bekritiseerd. Heerlijk, daar voelde ik me een gewoon mens. Hun “zondagsoep”recept gebruik ik nog steeds. We bezochten in de grote vakantie kunstwinkeltjes om elkaars cadeautje uit te zoeken. We waren twee weken na elkaar jarig: eind augustus en begin september. Zo kwam ik toch de twee laatste klassen door. Laat ik het thema “retraite” niet vergeten te vermelden! Ernstig heilige dagen: drie dagen niet praten, stichtelijke lectuur lezen, wat in ons geval op het Bijbellezen neerkwam. Heel vaak en erg lang in de kapel zitten, voor zover ik me herinner. Daar heb ik ijverig in de Bijbel gezocht naar pikante scènes, maar ik vond weinig interessants. Ik heb een keer iets gevonden ergens in het Oude Testament! Ieder jaar zoeken, waar dat stukje stond! Dan mochten we ook ter verdere stichtelijkheid in de kloostertuin wandelen. Die Mariagrot vond ik erg saai, maar dat zei je niet hardop, ook niet na de stiltedagen.
In mijn eentje musiceren én samen met Ineke was mijn uitlaatklep. Er was regelmatig een pianoconcours. Er kwam dan een examinatorzuster uit het Moederhuis in Roosendaal, wij hadden de zenuwen voor het examen. De cijfers kwamen op een paars-blauw concoursrapport. We kregen solfègeles en theorie. Het hoorde erbij en ik worstelde me er doorheen. Langzamerhand vond ik ook meer aansluiting bij de anderen. Het eindexamen kwam in zicht en daar werden hoge eisen gesteld vanuit onze school. De meeste leerlingen kwamen uit gezinnen van ondernemers en middenstanders uit Overijssel en Gelderland. Ons pensionaat stond goed bekend om prima resultaten. Met goede eindexamen-uitslagen waren we een wandelende reclame voor het pensionaat.
Wat we daarna zouden doen, wisten de meesten al, ik niet. De meesten wilden naar Arn-hem of Steenwijkerwold om onderwijzeres te worden. We lazen boeken in de oorspronkelijke taal: Frans, Engels en Duits. Soms werd je uit de studieklas geplukt, dan mocht je mee voor een wandeling in de kloostertuin. Daar kwam je normaal niet. Al wandelend converseerde de leerkracht met je in de oorspronkelijke taal van het boek, dat je als huis-werk moest lezen. Onze lerares Frans, Soeur Sidonie, opende de conversatie steevast met: ”álors, dites-moi Thérèse.” We spraken het hele verhaal door van voor tot achter en retour: tout en Francais! Mijn Frans vond ik vrij behoorlijk, Engels ook, alleen dat Duits maar het leven gaf mij nog genoeg kansen! Na het eindexamen brak de afscheidsavond aan. Een groepsfoto was al gemaakt, ik weer eens in het mantelpakje van mijn moeder. Voordat we de laatste keer naar de slaapzaal hobbelden, kreeg iedereen een prentje van Soeur Joanna met een persoonlijk woord van haar erop. Beslist goed bedoeld, mij joeg ze daarmee de schrik op het lijf:“Treesje, laat Jezus in je werken!” Ik kreeg het er Spaans benauwd van en ik overtrad in mijn nood de regel: NIET bij een ander op het chambrette! Ik liet het zien aan het meisje naast mij, vroeg haar wat zíj opmaakte uit mijn tekst. Ik vatte het namelijk op als een verkapte uitnodiging, wens of dreiging bij hen non te worden! Zo ging ik naar huis: geen idee wat ik nu zou gaan doen. Zwaar aangeslagen door deze jaren, wetend, dat ik met mijn verhaal daarover thuis echt niet aan hoefde te komen! Ik had een Mulo A-diploma, zonder wiskunde, op zak. Ook een middenstandsdiploma en wat moest ik dáár nou mee?! Nu eerst maar eens vakantie houden en zestien worden! Tijdens de vakantie dook de vraag van mijn ouders al op: “ En wat ga je nu doen?” Tja, met zo’n vraag kreeg je mij wel stil. Ik had al ervaren dat ik niet mocht doen waar mijn hart om vroeg, dus had ik nu geen antwoorden meer. Mijn moeder kwam met het opgewekte ant-woord: “ga maar naar de Vormingsklas, daar heb je altijd wat aan!” Later zou ik volgens mijn ouders met een man in een “hogere” positie trouwen; dus erg praktisch, vond vooral mijn moeder. Dan wist ik hoe ik gasten passend moest ontvangen…! Dus terug naar de-zelfde nonnen, nu op de afdeling Huishoudschool! Na drie jaar HBS, MMS of Mulo kon je daarheen. Tja, laat ik het samenvatten: gezellig, behalve de colleges van de huisarts leer-de ik er niets voor mijn gevoel. Als voorbeeld van zinloosheid, volgens mij dan: je moest een werkstuk over “koffie zetten” maken. Oké, een tien, maar wat had ik eraan? Nu had ik nóg nooit koffie gezet! Ik leerde, hoe ik na het strijken linnengoed moest vouwen. Ja, maar dan keek ik later toch hoe groot mijn kast was en vouwde dan passend?! Dus nu moest ik het anders aanpakken, dan maar op ramkoers met mijn vader! In de kerstvakantie deelde ik mijn ouders mee, dat ik niet terugging naar de Vormingsklas, ik leerde er niets. Verbaasd aanhoorde ik de reactie van mijn vader: “en wat ga je dan doen?” Wat ik níet wilde dat wist ik, wat dan wél, daar had ik nog niet goed over nagedacht. Belangrijk om acuut zó te antwoorden, dat hij er niets meer tegenin kon brengen én wat meetelde, ik wilde weg van huis! Het leek me een goede strategie om het onderwijs te kiezen, kon hij moeilijk “nee” tegen zeggen: hij was er zelf ook in beland! Wat en waar? Arnhem dan maar, met de opleiding voor onderwijzeres. Daar zat de helft van mijn vorige klas al, dat leek me wel gemakkelijker bij mijn start en het wennen daar. Er volgde druk geregel, onder andere of de school me wel middenin het schooljaar nam: ja, het lukte! Dus mocht ik weer eens in de vakantie nummertjes op mijn kleding naaien, nu 25. Mijn vader eiste wel dat ik daar op het internaat kwam: de busreis was vier uur per dag. Zo toog ik de wereld in.
Arnhem 1967
“Insula Dei” lag aan de Velperweg in Arnhem. Dit “eiland van God” stond ook goed op je cv! Thuis zei mijn moeder nog tegen me: “Trees, doe het jezelf en de kinderen niet aan!” Vond ik een merkwaardige uitspraak: weer kritiek?! Ik wist toen echter geen andere uitweg om thuis weg te komen. In januari startte ik op de opleiding van de HPS, Hogere Peda-gogische School. Daarna werd het dan PA, Pedagogische Academie. Destijds kon je daar nog de HAVO-top halen en daarna volgde de pedagogische opleiding van twee of drie jaar: onvolledig of volledig bevoegd. Eén van mijn eerste lessen weet ik nog: de directrice, zuster Jacintha, gaf Engelse literatuur. We zouden een gedicht van Dylan Thomas bespreken. Gegrepen door de klanken van ”The Hunchback in the Park” protesteerde ik, toen het moest worden vertaald. Onvoorstelbaar voor mij, dat het vertalen zou bijdragen aan mijn beleving. Wat zou het nou, als ik niet alle woorden begreep? Nog ben ik verbaasd, als ik eraan terugdenk, hoe Zuster Jacintha mij serieus nam en behoedzaam naar de vertaling toeleidde. Na een verzwakte afweer ben ik dan ook maar gaan vertalen. Ze vroeg naderhand zelfs, hoe ik het had ervaren. Zó’n omgang met leerlingen kende ik niet. Dit was voor mij de toonzetting van een ander soort omgang, onbekend tot nu toe! De jaren op deze opleiding en dit internaat waren wezenlijk anders dan de jaren in Groenlo! Volwassener, geen continue controle of machtsvertoon! Centraal stond jouw verantwoordelijkheid. Als ik het me goed herinner, was het een orde uit Tilburg: Zusters van het kindje Jezus en iets met liefde erin. Zo heb ik het ook meer ervaren, helend en nodigde uit tot zelfontplooiïng. Deden de zusters zelf ook zag ik: de directrice woonde in een flatje en niet meer in het klooster. Ze droegen kledij met kortere rokken en kleine sluiers, waardoor je ook wat kon zien van hun haar en benen.
Ook ík heb met plezier aan mijn zelfontplooiing gewerkt! Mijn vader vond het te duur om mij elk weekend naar huis te laten komen met de bus. Dus was ik elk tweede weekend vaak alleen in het internaat, vreemde ervaring. Soms waren er leerlingen die van verre (Duitsland, Suriname) kwamen, zij bleven dan ook in Arnhem. Als ik er wel alleen was, bleek het geen probleem: ik begon in de natuur te struinen op dat prachtige landgoed waar onze school lag. Ik ben er bewuster gaan leren kijken, alleen, opgaand in het moment en genietend. Geplukte takken later in mijn kamer, bekijkend hoe de blaadjes zich ontvouwden, het zag er elke dag weer anders uit. Daar had ik niemand bij nodig, ik genoot zelfs van het alleen zijn! Verdere voordelen van het niet thuis zijn ontdekte ik ook. Op vakantie gaan, een vriendje hebben of rijles nemen mochten we niet tijdens de opleiding: “dat doe je maar na je opleiding!” verkondigde mijn vader. Daar heb ik fuifjes bezocht, bijzondere filmen gezien: Rosemary’s Baby, Blow up in bioscoop Rembrandt met zijn internationale filmdagen. Daar genoot ik van Tsjechische animatiefilms. In Luxor zag ik de film Dr. Zji-vago met mijn verjaardagsbezoek, in augustus lekker verkoelend. Bezocht het gemeentemuseum aan de Utrechtse Straatweg. Geen controle van thuis en op het internaat vonden ze het goed: op tijd afmelden en als we maar op tijd terug waren. Vriendjes verzwijgen voor thuis lukte prima. Wat voor een wereld begon ik te ontdekken! Daar heb ik wat af-gedanst, zaterdags de stad in, Indonesische winkeltjes, het Chinese eten, soms lunchroom V&D, ik voelde me werelds. Met de trolleybus terug, bij bushalte Velperpoort een snack “uit de muur” trekken.
Discodansen op het “randje” van het Spijkerkwartier, spannend! Met de school gingen we regelmatig naar de schouwburg, de toneelstukken werden van tevoren in de les besproken. Ook kreeg ik de eerste kus, waarvan ik toen moest huilen. Na dat carnavalsfeest een afspraakje met Ton uit Arnhem-Zuid. Bij een wandeling, na de tweede kus, begon hij over de ruzie met zijn vaste vriendin. Ik wist niet wat me overkwam! Ik kon me nauwelijks con-centreren op zijn probleem en stopte dit contact. Over die vriendin had hij meteen mogen vertellen! Er volgden maanden liefdesverdriet ( “luddevudde”). Dit werd gevoed doordat ik vaak zag, hoe hij de heuvel opzwoegde op zijn omafiets naar zijn schoolgebouw. Dit zag ik vanuit het muzieklolaal, wij hadden altijd eerder les. De lesroosters van onze opleidingen lagen een kwartier uit elkaar, dit als een buffer voor het contact tussen de jongens en meisjes. Pittig was dat eerste jaar, maar deze overstapt lukte me! In het najaar leerde ik nóg een jongen kennen van de opleiding naast ons.Hij kwam uit Silvolde en na een poos-je werd ik door zijn ouders uitgenodigd bij hen Sinterklaas te komen vieren. Dit moest ik eerst thuis vragen. Nooit vergeet ik het antwoord op mijn vraag. In de eetzaal zittend, las ik de post van mijn vader: hij schreef, dat het heel slecht ging met mama. Dit kon de laat-ste Sinterklaas zijn, die ze zou meevieren, dus: absoluut naar huis komen! Ik heb ontzettend gehuild in die eetzaal te midden van de anderen, ik kon niet meer praten van verdriet. Mijn moeder bleek prima in orde, toen ik thuiskwam en haar daar zorgvuldig bekeek. Nooit heb ik dit thuis besproken, maar voelde me goed beetgenomen! Ze kon nog 28 jaar Sinter-klaas vieren!
De grote vakantie bracht ik jarenlang deels door bij de Twentse vriendin, die ik op het Groenlose pensionaat leerde kennen. Van klasgenoten hoorde ik over vakantiebaantjes. Met mijn zakgeld kon ik er wel geld bij gebruiken, dus pa aangesproken over dit thema. Meteen kwam de eis: alleen daar werken, waar ik ook iets kon léren! In zijn optie was dat bij een Duitse adellijke zakenhuishouding met twee kleine kinderen in Bocholt. Bij toeval zag ik na drie weken, dat de huisvrouw zwanger was. Daar leerde ik pepersteak klaar-maken en het meldingsritueel, inclusief hun titel, aan de telefoon op zijn Hochdeutsch, zoals ABN. Daarna mocht ik derde gastvrouw zijn op kasteel “de Slangenburg”. Nu was het kasteel bedoeld als gastenverblijf, destijds voornamelijk voor dames, van het Benedictijnenklooster bij Doetinchem. De functie klonk prachtig, maar het betekende gasten aan tafel bedienen en hun kamers, inclusief toiletten, poetsen en veel afwassen in de keuken. Niets mis mee, maar waarom dan die titel?! Klokslag half drie vond de Assepoestertransformatie tot gastvrouw plaats: ík mocht thee uitkiezen, zélf zetten, welke theekoekjes koos ik dan… én in een passend trommeltje doen! Daarna schonk ik de gasten hun thee in en converseerde met hen. Dit in de grote zitkamer, die eigenlijk meer een zaal was. Bij goed weer vond het evenement in de tuin plaats. Bij het naar binnenbrengen van het dienblad, overvol beladen met theeservies, gebeurde er eens iets minder geslaagds, ik balanceerde op de smalle brug over de gracht. Daarbij stootte ik mijn hoofd bij de verlaagde ingang van het kasteel. Met als gevolg: de koffiemelk sopte in mijn schoenen en ik weet niet meer hoeveel servies er in de gracht belandde! In de vrije tijd bouwden we ’s avonds een vlot over de gracht. De gasten vonden het prachtig ons daarbij toe te zien, dus werd het oogluikend toegestaan. Daar werd óók mijn privilege elke week een preek te krijgen in stand gehouden: in die salon waar eens prinses Irene vertoefde. De gastvrouwen waren wereldse zusters, Vrouwen van Bethanië, beiden waren van adel.
Iets in mij nodigde blijkbaar bepaalde mensen uit om mij ongeremd te vertellen, wat ik volgens hen fout deed. Graag beleerden zij mij dan, hoe ik het wél moest aanpakken! Ik merkte ook altijd dat het niet mijn liefste contacten waren, waarom dit nou allemaal was, snapte ik niet. Liet het maar weer over me heenkomen. En pa, wat had ik hier nou geleerd?! In ieder geval kon ik supersnel afwassen en afdrogen, had een heerlijk, hartig pannenkoekenrecept van de kok afgetroggeld. Ook las ik daar “my first sexbook,” geleend van het personeel. Het contact met de gasten was boeiend. Ik leerde allerlei soort gasten kennen. Vooral als je dan elke dag hun kamer poetst, leer je van zo iemand ook de andere kant kennen. Hoeveel geld ik verdiende in twee weken? Het werk leverde me dertig gulden op, met kost en inwoning. En last but not least: twee gratis preken!
In mei 1968 leerde ik een latere correspondentievriend kennen. Een gymnasiumklas uit Keulen was door de jongensopleiding naast ons uitgenodigd, ze hadden meisjes nodig voor een dansavond. Ja, ik wilde wel mee! Reinhard vroeg mij na de hele avond gedanst te hebben of we zouden schrijven. Nou vond ik het altijd leuk om post te krijgen én zo kon ik meteen mijn toch al niet zo geweldige kennis van de Duitse taal verbeteren! We hadden nog zesenhalf jaar contact, hebben elkaar ook bezocht. Hij was voor mij een venster naar de wereld: hij deed dingen, die ik wel niet kende, maar zeer boeiend vond. Hij stuurde mij zaken over filosofie en Duitse literatuur toe. Ook deelden we de interesse voor kunst, van de plekken waar we destijds naartoe gingen stuurden we elkaar kunstkaarten. En ja hoor, híj ging wél medicijnen studeren! Hij mocht bij mijn ouders thuiskomen en daar slapen. Goedkeuring van pa! Als ik naar huis reed met de bus of soms met de trein tot Lievelde (als ik geld over had), dan werd ik niet afgehaald. “Je neemt in Lievelde de bus”, zei mijn vader opgewekt, “als je die mist dan loop je, is gezond.” Lekker, die drie kilometer lopen met je tas zware studieboeken voor dat weekend. Meestal kocht ik één van mijn zusjes om. Dan zette ik mijn tas achterop de bagagedrager van haar fiets. Maar wie schetst mijn verbazing toen bleek, dat mijn vader wél voor Reinhard de auto van stal kon halen, zelfs de afstand van zestig kilometer naar Wezel voor zijn trein uit Keulen! Natuurlijk werd hij door mijn vader weer zestig kilometer teruggebracht. Ik begreep nooit, waarom mijn vader wel bij anderen zo attent was en bij mij niet.
Een moeilijk en lastig item vond ik het éérst op zaterdagmiddag bij pa afrekenen, dit met behulp van het rode boekje, wat ik nog heb. Daarin stonden alle uitgaven nauwkeurig genoteerd. Mijn zakgeld bedroeg één, graag geziene, gulden per week in het eindexamenjaar. Als het geldbedrag van pa op was, moest het tekort met mijn zakgeld aan gevuld worden. Het geldkistje stond op de slaapkamer van mijn ouders, daar vond de geldtransactie plaats. Na de controle met behulp van het rode boekje, kreeg ik nieuw geld voor de volgende twee weken. Zittend op zijn bedrand mocht ik nog zeker een uur allerhande adviezen en eisen van pa aanhoren. Eindelijk kon ik naar de eetkamer, waar mijn moeder zat te wachten met de onderhand koud geworden thee: “wat dóen jullie toch zo lang daar-boven?!” Tja mam, kom me dan bevrijden! Op zaterdagmorgen hadden we nog les tot één uur, daarna rennen om de volgende bus te halen en dan moest je in Doetinchem overstap-pen. Na die twee uur reizen: naar huis lopen, de financiën en opvoedlessen doorstaan met pa en dan eindelijk thee!
Met een beetje geluk was het half vijf en dan was ik ook te leeg om mijn moeder nog echt antwoord te geven. Ik deed toch wat ze wilden?! Pa’s woorden liet ik maar over me heen komen, niet interessant, maar moest blijkbaar.
Qua docenten waren er nog enkele zusters: Engelse literatuur, geschiedenis en muziek; verder waren het leken die lesgaven. De docent tekenen en kunstgeschiedenis maakte grote indruk op mij. Elke dag kwam hij met de trein uit Tilburg, was beeldend kunstenaar, droeg booties en krappe ribbroeken. Als hij mij aankeek had ik wel het gevoel, dat hij mij zag! Hij sprak over zwartboeken, die ze in Amsterdam aanboden als protest tegen het kunstbeleid. Ik luisterde ademloos, een wereld van onbekendheden ging open! Ik merkte hoe conservatief mijn ouders waren en durfde nauwelijks mijn mond open te doen. Ik schaamde me wel, ik wilde dat “andere” ook kennen en kunnen, maar merkte dat ik nog ver van die wereld afstond, hoe interessant ook. Net voor het eindexamen wilde ik hem iets vragen en hij vroeg: “wil je naar de kunstacademie?” Ik schrok hier zo ontzettend van, dat ik hem niet aan durfde te kijken. Dit perspectief was voor mij onvoorstelbaar, ik sloeg compleet dicht, verwierp het, onmogelijk: hij zal me wel voor de gek gehouden hebben. Tja, zoals al eerder gezegd: het leven biedt allerhande kansen! Maar ik ben hem zeer dankbaar voor het begrip “vervreemding”, dat ik bij hem leerde kennen, ik blijf ermee spelen! Eén docent had mij niet zo lief. Iets in mij irriteerde hem blijkbaar, want ik kreeg veel harde uitspraken te horen in de klas. Dan brulde hij: “kijk niet zo brutaal!” Dat snapte ik niet, ik was niet brutaal: trok alleen mijn pokerface en had alles in mij op slot gedaan, net als bij Soeur Cathérine! Ik toonde juist hém niet hoe pijn het deed, om zo te worden behandeld. Hij was pro Nixon en legde het begrip “democratie” uit. Nou, ik was zwaar teleurgesteld dat de grotere groep altijd voor bleek te gaan en dat de belangen van eenmans of kleinere formaties onder tafel vielen. Dat viel me vies tegen van die democratie, en daar hadden ze nou zo de mond van vol!
We zijn tijdens de opleiding naar verschillende landen en steden geweest: we gingen naar België: Brussel en Antwerpen en naar Londen in Engeland. We werden op een Duitse school geïnformeerd over hun onderwijssysteem. Beklemmend om in Brussel te zien, dat die kostscholen vol zaten met kinderen vanaf de kleuterschool tot en met de volledige beroepsopleiding. Het waren vaak dochters van planters uit Kongo, die zagen hun ouders weinig! In Nederland bezochten we het Frans Hals en Tylermuseum in Haarlem. Dat Tylermuseum vond ik apart! Af en toe viel er een lesuur op school uit, dan genoot ik ervan om met een klasgenootje mee naar haar kamer te gaan en daar bijvoorbeeld lekkere oplostomatensoep te maken of we crosten naar de bakker om een puddingbroodje te halen. Ik genoot bij die onverwachte kansen iets van de normale wereld te proeven, dat kende ik niet van mijn pensionaattijd in Groenlo, dan voelde ik me intens levendig!
Er volgde deelname aan een internationaal treffen voor jonge volwassenen in het Gustav Stresemann Instituut in Bergisch Gladbach bij Keulen. Dat vond ik interessant, niet dat ik zo dol was op politiek, maar ik zag ook andere mogelijkheden. Contacten met anderen, daarbij mijn talen oefenen en informatie over andere landen krijgen, dat deed me goed. Er werd gewerkt met koptelefoons en tolken, voor mij allemaal erg werelds! Ons verblijf was in een kasteel met gezellige avonden in onderaardse gewelven.
Nu heet het Schlosshotel Lerbach en glimt met zijn drie sterren! In de trein naar Keulen zaten we zenuwachtig met drie leerlingen van onze opleiding, maar wel fijn spannend! Duitse donzen dekbedden en “frische Brötchen” aan het ontbijt, dat was genieten! Ja, Reinhard kon ik ook zien, maar dat was voor mij niet de hoofdmoot. Later bleek hij er elke avond te zijn, dus dat beperkte mijn contact met de anderen. Ik werd bij hem thuis uit-genodigd. Ik reed mee met de Franse journalist Jean Claude die in Straatsburg werkte, zeer interessant. Mijn familie zou in katzwijm liggen bij zijn naam! Reinhard werd als mijn vriend gezien, hij gedroeg zich ook zo, merkte ik. Bij de dom vond de overdracht plaats van Fran-se naar Duitse begeleider. Balancerend op een muurtje, brak ik de hak van mijn schoen, hij bungelde er nog net aan. Leuk, zo’n entree bij de moeder van Reinhard. Zij bleek chique te zijn, zijn overleden vader was professor geweest, maar ik wist óók hoe het hoorde! Ik kwam uit Nederland, dus serveerde de gastvrouw een Hollands haantje! Dat vond ik raar, ik had liever iets Duits gehad. Later vroeg ik Reinhard hoe ze me vond, hij zei: “nett”. Zelfs het woordenboek kon er niet meer van maken dan “aardig”!
De laatste drie jaren, voor sommigen twee, liepen we stage op de lagere scholen. Ook gaven we zelf les met van tevoren zorgvuldig ontworpen lesschema’s, gecheckt door vakdocenten. Ze bezochten je tijdens je lesgeven, spannend! Als leerlingen dat wisten, werkten ze goed mee. Voor de leerlingenraad was ik gekozen voor de afdeling cultuur en maakte een persiflage over Pierre Jansen met zijn televisieprogramma “Kunstgrepen.” Hij was toen directeur van het Arnhems gemeentemuseum. Wat betreft de uitvoering van mijn voordracht, daarbij had ik zenuwsterkends nodig. Om beter in mijn vel te zitten, naaide ik een zwart, kort rokje en droeg er een grote goudkleurige schakelketting op, zeer hip! Later merkte ik, dat ik mij meestal “pantserde” voor de optredens met zelf gewrochte kledij: dan had ik nog iets eigens! We moesten ervaring opdoen in alle onderwijstypen. Na twee jaar stonden vertrokken al veel medeleerlingen om nu zelf voor de klas te gaan staan, maar ik wilde de volledige bevoegd-heid halen met zoveel mogelijk aantekeningen erbij. Het leren beviel me goed en je stond sterker bij sollicitaties. Dan was het ook mogelijk om te gaan werken bij – vroeger het MOB, later – het Riagg, dit intrigeerde me door de vroegere ervaring bij het MOB.
In het najaar 1970 gingen we naar Engeland. Met de ferry van Hoek van Holland onderweg naar Harwich was er zo’n storm, dat zelfs de bemanning deels ziek werd. We hebben ettelijke schijnlijken uit het schip (vooral uit de wc’s) gesleept en buiten op een bank geplant. Ook mochten we onze directrice, maar vooral onze docent godsdienst, die zo enthousiast aan de loopplank tabletjes tegen zeeziekte had uitgedeeld, een frisse neus aanbieden. Dat deed zichtbaar goed! Onze redding was het om zo lang mogelijk aan dek blijven, maar de koude wind en het water drongen zo langzamerhand door de naden van mijn winterjas. Als een eventuele nazaat van Michiel de Ruijter moest ik tonen dat ik dat kon uithouden, maar later zijn we toch half bevroren naar binnen gegaan. We lagen allemaal op de banken, maar je moest niet naar de horizon kijken, want dan ging het mis. Een klasgenootje speelde zachtjes op haar gitaar, dat hielp. De stewardess liep vrolijk rond met haar dienblad: er was een keur aan al gebruikte, dichtgedraaide “kotszakjes.” Ze had geen voorraad meer, maar voor noodgevallen mocht je ze toch nog…Sorry, ik kan het niet mooier maken dan het was.
We moesten één uur extra wachten voordat we de haven in mochten, het was een bijzondere overtocht. In een Londense buitenwijk sliepen we in een kostschool, waar de eigen leerlingen nu op vakantie waren. Het Engelse ontbijt was zo machtig, dat we tot in de middag geen eten meer konden zien. Met de ondergrondse Londen in. Wat hebben wij gesjouwd destijds ondanks ons “go as you please” ticket! De afstanden waren fenomenaal. En alle meisjes werden tegelijk ongesteld, maar dat bleek normaal te zijn. We hebben veel gezien, de Tate Gallery vond ik het mooist met de meer moderne kunst. Het British Museum fascineerde me met het oudste glaswerk. In de Tower zijn we ook in de rij langs de koninklijke juwelen geschuifeld. In het theater zagen we het Shakespearestuk, dat al op school in het Engels was voorbereid. “Tell her: Barnes is willing!” was de zin, waar ik het meest van genoot. Dan zijn we ook nog op het destijds hoogste gebouw van Londen geweest van een telefoonmaatschappij. Geroken hebben we ook veel, want de Londense vuilnismannen staakten al langer! De bootreis terug was teleurstellend na alle voorvreugde: saai, er gebeurde niets bijzonders! Nou ja, toch wel iets voor mij privé: ik kocht in de taxfree shop mijn eerste fles cognac Martell met vele sterren. Die cognac wilde ik leren drinken én genieten!
Dit laatste jaar was een bijzonder jaar: we zouden HBO-status krijgen! De eindexamen-eisen en het systeem veranderden: er kwam een Studentenraad, we volgden colleges, bij te weinig aanwezigheid werd je uitgesloten van deelname aan het eindexamen! Onze docenten wisten zich vaak geen raad met alle nieuwe bepalingen. We kregen op onze vragen vaak antwoorden met vage aanduidingen zoals: “kijk maar in het groene boekje”, want daarin stonden de eindexameneisen. Door deze onzekerheid merkte ik, dat er ruimte ontstond om naar hartenlust te experimenteren. Dat beviel me prima! Graag wilde ik in Nijmegen doorstuderen: sociologie en psychologie, dit kon ik echter niet realiseren. Als kind sprak mijn vader al herhaaldelijk op mij in, op de terugweg van oma in Limburg naar huis. Als we in Nijmegen op de Sint Annastraat reden zei hij: “Kijk Trees, daarachter ligt de universiteit. Later kun je dan hier gaan wonen en werken, dan kun je mooi artsen leren kennen.” Toen leverde zijn suggestief advies een dof gevoel in me op. Pas bij het eind-examen ontdekte ik, wat er achter die dofheid verstopt zat: een blokkade als reactie op die oude “opdracht” van mijn vader. Die stad en mijzelf voor zijn ambitieuze plan misbruiken, op zo’n slinkse manier proberen een “goede” vangst te maken? Nee: ik wilde zelf arts worden en dat mocht ik niet van hem. Maar wel wegcijferend en onderdanig leven als echtgenote van een arts? Er plaatsvervangend voor zorgen, dat híj als arts zijn werk goed kon verrichten in plaats van zélf dat werk uit te voeren?! Nee, dat nooit! Ik hoorde dat een klasgenoot en ons Groenlose buurmeisje in Nijmegen zouden gaan studeren. Ik kon hen niet meer in de ogen kijken: zo’n pijn deed het, zíj wel en ik niet! Ik voelde me verscheurd. Enerzijds wilde ik trouw blijven aan mijn diepe wens om verder te studeren, anderzijds móest ik pa’s plannen wel torpederen, ze klopten niet, dat voelde ik van alle kanten! Ik zou mezelf verloochenen, zijn marionet zijn en daarvoor was ik niet geboren! Zijn veelvuldig ondermijnen in mijn leven lieten de tekst “Vogelvrij” ontstaan op de melodie van de aanklachtaria “Jerusalem” uit het oratorium “Paulus”:
Lied op de melodie “Jerusalem!”- F. Mendelssohn-Bartholdy
Hoe kan ‘t bestaan, wat jij hebt gedaan?! Ik ben gebruikt en bedrogen, geboycoteerd heb je mij, mijn levenlang, ik alleen kwam t’rug, je zóón bleef daar dood, hij bleef daar dood! Verscholen in jouw pijn, mag ik mezelf niet zijn jij vond het nooit genoeg, jij vond het nooit genoeg Jij eiste meer: ‘k moest mijn bróertje zijn! Ik was nóóit voor jou een mens, werd totaal ondermijnd. Jouw pijn werd macht – die mij verkracht.
Geen plek voor mij, ben vogelvrij! Gooit mij voor de honden, jij betaalt mijn beul, die ’t afmaken moet: dood moet ik, ik ben niet degene, die jíj hebben wil! Ik wist mij geen raad, waar hoor ik thuis, waar mag ik zijn?! Ik ben toch niet gewenst, ik ben toch niet gewenst. Geen plek voor mij, ben vogelvrij, gooit mij vóór de honden, laat mij sterven, want ik hoor er niet bij. Oh God, help mij – ik ben vogelvrij!
Het is genoeg, het is genoeg, al dat machtsvertoon, nu maak ik me los en zwem me vrij: kies nu een leven zinvol voor mij, zinvol voor mij. Mijn blik wendt zich van ander’n af, want dat leidt af. Ogen naar voor’ gericht, ogen naar voor’ gericht. Ik word de mens, die ik ben en mijn zíel die mag nu klinken en mijn mond die opent zich vanzelf: hoor jij nu mij – als een vogel zo vrij!
Na de confrontatie met deze discrepantie verliet me elke vorm van initiatief. Het enige wat er voor me overbleef, was om dan maar te gaan doen wat iedereen deed: lesgeven, al-hoewel ik er niet bijster in geïnteresseerd was. Binnenin mij schreeuwde mijn hart: ga door met die nieuw verworven vrijheid, ik wílde en kón tegelijkertijd niet doorstuderen! Het me eigen maken van nieuwe stof, zoeken in de Gelderse bibliotheek, werkstukken maken gezien vanuit meerdere richtingen, leerlingen ondervragen om de werkstukken concreet te maken. Al dat boeide mij enorm en ik voelde me daarbij zeer levendig. Die hobbel in mij, daar kwam ik niet overheen en om er met iemand over te praten, tja, dat idee kwam niet eens in me op. Ik kende ook geen volwassene, die ik zo vertrouwde. Na een drieënhalf jaar intern wonen voelde ik, dat ik er eindelijk aan toe was om zelfstandig op kamers te gaan wonen. Dat laatste jaar had ik drie verschillende adressen: in Rozendaal, Velp en Arnhem! Na twee stages bij het speciaal onderwijs had ik nog één stageplek nodig op “normaal” onderwijs voor de laatste twee maanden. Mijn jongste zusje zat in de zesde klas en vroeg of ik niet op haar school stage kon lopen. Mijn moeder was erg opgetogen: dan hoefde ik niet zelf te koken en kon me na school aan de studie wijden. De leerstof is “erin geschommeld” achter in onze tuin. Tijdens het meelopen op die school, bleek dat de leiding mij wilde houden: er werd kriegel gereageerd op mijn verzoek om vrij te krijgen voor een sollicitatie buiten Groenlo. “Hoezo vrij voor weer een sollicitatiebezoek?Je kunt na de vakantie hier met een vaste aanstelling beginnen in de tweede klas!”, groep vier. Ik in Groenlo…?! Maar na zestig sollicitaties in de omgeving van Nijmegen en Arnhem, rustig wonen en een stad dichtbij, merkte ik hoe moeilijk het was om daar een baan te vinden. Per een augustus zou ik in Groenlo als ambtenaar aangesteld worden, met ABP. Het echte leven klopte aan.
Tijdens de opleiding kon je op het laatst leerstof al “afvinken” met afsluitende tentamina, zodat jij je beter kon focussen op de rest voor het eindexamen. Je had vijf verplichte hoofdvakken en naar keuze twee specialisatievakken. Eerst moest je de vereiste werkstukken inleveren: drie stuks over Nederlandse schrijvers. Ik koos Ed Hoornik, Martinus Nijhof met zijn heerlijke titel “Lees maar, er staat niet wat er staat” en A. den Doolaard. Dan ook nog een boekenlijst van veertig literaire boeken. Ik combineerde drie vakken in één werkstuk met als thema “geestelijke volksgezondheid”: wederom resoneerde mijn verleden! Die vakken waren maatschappijleer, psychologie en pedagogiek. Als laatste nog een werkstuk voor kunstgeschiedenis en een voor twee specialisaties: biologie en muziek. Het werd biologie, want ik merkte dat ik nog maar weinig tijd en energie ervoor overhield. Het jaar daarvoor had ik het liefste geschiedenis als keuzevak genomen in plaats van bio-logie, die docente vroeg me destijds ook om haar vak als specialisatie te kiezen, maar ik wist dat zij enorm hoge eisen stelde. Nog herinner ik me de nachtmerrie, die ik er toen van had. Ik zag het als een signaal en koos de minder eisende docent biologie. Ik had dit laat-ste jaar heel hard gewerkt en de eerste dagen verliep het prima bij het mondeling. Maar er gebeurde iets onverklaarbaars: ik kreeg twee keer een blackout bij juist die twee docenten, die blijkbaar een erg goede mening over mij hadden. Zij bleken veel van mij te verwachten, één docent zei dat in mijn aanwezigheid tegen de examinator en daardoor ging ik op slot! Ik kon en wist niets meer, bijna kostte me dat mijn diploma. Op zes juni, D-day, was diploma-uitreiking!
Groenlo, 1971
Na de diplomauitreiking kwam ik weer terug naar Groenlo, daar woonde ik zolang bij mijn ouders. In deze vakantie namen mijn ouders me mee naar de juwelier, daar mocht ik een cadeautje voor mijn “slagen” uitkiezen. Het werd een zilveren armband en ketting. Op de terugweg naar huis vertelde pa nog, dat ik het duurste kind was geweest met mijn inter-naten. Dank U! Wie had dat ook alweer allemaal beslist?! Ook vertelde hij nog dat hij, voor mijn bijna acht jaar buitenshuis wonen, drievoudige kinderaftrek of meer kindergeld kreeg. Precies weet ik het niet meer, maar het was financieel gunstig. Nou, dus geen slechte deal voor hem: Trees het huis uitgekregen en er ook nog financieel iets positiefs aan overgehouden! In één adem door kreeg ik onderweg ook te horen, dat ik er niet op moest rekenen nog verder thuis te mogen blijven wonen met mijn baan hier. Mijn antwoord? “Geloof maar niet, dat ik bij jou wíl wonen!” Dus dat werd deze vakantie nog op kamerjacht gaan! Binnenkort zou ik 21 jaar worden: dat heette volwassen te zijn! Op zoek naar een kamer vond ik via een advertentie een onderkomen bij een gepensioneerde onderwijzeres en haar man. Het huis was nog niet klaar, de trap ontbrak: we klommen op een ladder naar de eerste verdieping. Daar huurde ik één van de slaapkamers. Ook hoorde er een wc met een wasbakje en kraantje bij. Een kast op de overloop was tot minikeuken omgetoverd met stroomaansluiting. Op een getimmerde aanrecht stond een groen oldfashioned gasstel te pronken op grijs zeil. Er was plaats voor een koelkast en verder kon ik mijn kookgerei op de schappen onder het aanrechtje kwijt. Warm water? Nee, je haalde eerst koud water bij het wasbakje in de wc en dan verhitte je dat in het keukentje met de waterkoker. Afwaswater loosde ik via het toilet. Vrijdagsmiddags mocht beneden naast hun slaap-kamer gedoucht worden. Achter de zitslaapkamer beschikte ik over een opslagruimte onder het schuine dak. Voor al deze ruimte betaalde ik tachtig gulden, inclusief stroom en water. De andere kamer was bedoeld voor de zus van mijn hospita, die vaak vanuit het klooster op bezoek kwam. Ik merkte een planningsfoutje bij het ontwerp: mijn slaapkamer werd niet warmer dan achttien graad Celsius. Als compensatie mocht ik gratis een straalkacheltje gebruiken! Nu mijn kamer inrichten, samen met mijn moeder. Bij een winkel, waar zij een goede klant was, vond ik alles. Ik mocht het totale bedrag renteloos in één jaar tijd terugbetalen! Ik had niets verdiend en gaf al veel geld uit. Het salaris bedroeg toen 831 gulden. Tja, en toen brak de eerste schooldag aan, maar nu vóór de klas! Nooit zal ik mijn gevoel vergeten: mijn God, laat ze toch iemand van de straat halen, want ik weet er niets van, hoe red ik dit…? Maar al doende ontdekte ik, dat ik me wel kon handhaven voor de klas. De ouders zeiden op de ouderavond vaker: u bent een lieve juffrouw, maar gelukkig kunt u ook streng zijn! In het begin van elk schooljaar was ik streng en behoorlijk con-sequent. Na enige tijd liet ik de teugels wat vieren, dan hadden we het zelfs gezellig. Als juffrouw voor handvaardigheid en handwerken kreeg ik ook de hogere klassen. Na hun uurtje gym, luidruchtig en nog bezweet hadden ze eerst kanaliseren van de overtollige energie nodig. Met “mijn eigen kinderen” zoals ik ze noemde, het voelde ook zo, kon ik lezen en schrijven. Na school kwamen we ook wel eens samen, we bakten pannenkoeken of poetsten de fietsen. Op onze vrije woensdagmiddag reden we wel eens allemaal samen op de fiets naar onze medeleerlingen op hun boerderij om ze te bezoeken. Daar kregen we dan ranja en soms zelfs een ijsje! Een fijne tijd.
Als juffrouw van de tweede klas moest ik ook het project Eerste Communie verzorgen, daarbij werd ik door de kapelaan ondersteund. Regelmatig was er bespreking, met de directeur erbij, over de leerstof, hoe we dit zouden aanpakken. Ik heb er zelf ook baat bij gehad voor mijn religieuze ontwikkeling: hoe vertel je in eenvoudige bewoording de esséntie van het evangelie aan kinderen? In de klas bood ik de stof in meerdere vakken aan, een soort projectonderwijs. Soms was er een “sterrenuurtje” bij, zoals ik het noemde. Dan hing er zo’n vertrouwde en blijkbaar veilige sfeer, dat vanuit de kinderen de essentieelste vragen kwamen. Op de speciale ouderavonden vertelden we over de vorderingen en hoe we het later zouden vieren in de kerk. Ook de ouders keken erg op bij mijn berichtgeving over de vragen, die blijkbaar bij kinderen leefden. In het parochiehuis, het latere Citycentrum, was de ouderavond. Om voor die zaal te spreken: ik stierf bijna van de zenuwen, de directeur “redde” mij met zijn Bloody Mary! Nou ja, daarna liep het dan als een trein. Later in de overvolle kerk, nu basiliek, bestierf ik het ook bijna, maar als ik in de ogen van “mijn” kinderen keek was ik gered. Het ging om hen! Achteraf gezien waren we aardig vernieuwend bezig, dat beviel me zeer: in de klas zaadjes kweken, verzorgen en de plantjes bij de Offerande aan de móeders aanbieden: “mama, bedankt voor al je moeite”! We vroegen de ouders om nu bijvoorbeeld geen witte bruidsjurkjes meer te kopen, gewoon leuke, nette kleren. Die konden de kinderen ook nog bij andere gelegenheden aantrekken. De kapelaan interviewde met behulp van een microfoon de communicantjes. Er werden toneel-stukjes opgevoerd, bijvoorbeeld de parabel: “het verloren schaap.” Uit klas zes kozen we een herder, hij zocht naar het blatende diertje in zijn schapenvacht. Dat was ergens achter in de kerk verdwaald. Alle kerkgangers leefden mee en souffleerden heftig! De herder liep later met het dier gedrapeerd over de schouders naar voren. Je zag de ouders genieten! Samen met een vader, leraar handvaardigheid, hebben we een enorme collage gemaakt met het thema “Samen aan tafel”. Die werd heel groot, want de kinderen kwamen er in hun ware grootte op te staan, elk in eigen kleren. Daarna werd het enorme stuk omhooggetakeld en achter in de kerk opgehangen aan het koor. Niet meer gedragen kleren, half doorgezaagde schoenen, papieren bordjes, bekers, vorken en stokbrood zaten vastgeniet op de grote plaat. Na vele jaren werd het stuk verwijderd vanwege vallende beschimmelde stukjes brood en vorken. Anders werden kerkgangers mogelijkerwijze gespiesd: werden ze martelaren van hun geloof…!
Die vier jaar als onderwijzeres had ik nodig om mij als persoon te ontdekken: ik wist niet, wie ik werkelijk was na alle indringende benaderingen en preken in mijn leven. Bewust hield ik ook manlui wat van mij verwijderd. Eerst was ík nu aan de beurt om mezelf te ontdekken. Graag ging ik uit dansen in het weekend, zo niet, dan was ik met de trein op stap naar vriendinnen. Vrijdagmiddags was ik na school duidelijk niet de “juffrouw”, alleen maar Trees. Daar lette ik goed op, omdat ik woonde én werkte in hetzelfde stadje. Flirten vond ik een leuk spel bij het uitgaan, maar ik bleef mezelf trouw en overschreed niet de grens, die ik in mij voelde. Zo werd ik de zelfstandige, onafhankelijke vrouw, die ik altijd wilde zijn. Op school viel mij binnen het team op, dat mannelijke collegae bijna allen, vaak naast hun werk en gezin een MO-studie volgden: pedagogiek, handvaardigheid en geschiedenis. Hun echtgenotes vingen thuis dan alles op. Verder merkte ik, dat het op prijs werd gesteld als vrouwelijke collegae een luisterende en soms bijna onderdanige houding aannamen. Als we dat deden liep het goed!
Vaak gingen we als team na schooltijd naar de Schooladviesdienst om nieuwe methodes en projectonderwijs te leren kennen. Ziek zijn was vrijwel onmogelijk, er was ook strenge controle op. Na een voetoperatie bleek, dat de echtgenote van een collega, die als verpleegster in het ziekenhuis werkte het operatieverslag wist te bemachtigen. De prangende vraag was namelijk of mijn operatie nodig was vóór de zomervakantie, kon dat niet wachten tot ín mijn vakantie?! Het werd niet uitdrukkelijk vermeld in het operatieverslag, zo was hun triomfantelijke bericht! Na deze berichtgeving van dit echtpaar was ik sprakeloos. Deze collega haalde me ook op na diverse carnavalsfeesten, waar ik mijn voetpees scheurde bij het hossen en blijkbaar te wild dansen: voet tegen de muur omgeklapt en dergelijke. Elke dag kwam hij met zijn auto voorgereden, haakte me onder de arm in; zo hupte ik naar mijn plek: de auto in, de auto uit, de klas in en dan met mijn voet op de stoel voor de klas. De school had een vaste invaller, maar die was voor noodgevallen.
Na een pauze van vierenhalf jaar door mijn tijd in Arnhem nam ik met veel plezier weer pianoles. Ik zong in het Toonkunstkoor in Winterswijk. De eerste jaren had ik geen behoefte aan rijles of televisie, pas drie jaar later kwam dat aan de orde. Ik kocht een Dual-platenspeler en genoot ervan soms op vrijdagavond een LP te kopen, dan snel naar huis om te luisteren en genieten! Voor een goede radio ontvangst had ik een antenne op het dak laten plaatsen! Goede klank was heel belangrijk voor me. Ondertussen spaarde ik voor familiebezoek in Canada, rijles, een piano en een Afrikareis. Bij de oude buren mocht ik pianospelen, want Jan had een piano gekocht. We speelden soms quatre-mains: Diabelli, Petersburger Schlittenfahrten en dergelijke. Even met zijn moeder bijkletsen, want daar voelde ik me altijd weer thuis. Zondagsmiddags moest ik thuis komen eten: tegen betaling van vijf gulden. Mijn vader vond, dat ik dit geld anders ook had uitgegeven! Van tevoren moest ik opletten om niets met knoflook te eten, anders werd ik als stinkend betiteld! Het feit dat het gezond was, bleek voor mijn moeder niet relevant: zij, die altijd lette op gezond eten! Bij hen deed ik de handwas, ik beschikte niet over warm water. Als dank gaf ik daarvoor een centrifuge. Uiteraard Miele, want mijn moeder had alleen maar Miele apparatuur. De wasserette bleek de oplossing voor mijn machinewas. In een goed dichtgeknoopte waszak, want dat leek me een bijzondere vorm van vermaak, als ik als juffrouw onderweg met vuil wasgoed ging strooien. Die waszak naaide mijn moeder uit een rest flanellen, blauwgebloemde pyamastof, dus ik fietste ik met hun “nachtgoed” over straat! Raar, om op maandagmorgen dwars door Groenlo met voornoemde waszak naar de wasserette te rijden. Daarna naar school. Om twaalf uur was alles klaar en mooi gestreken, dat was genieten bij het terugleggen in de kast!
Mijn vader huldigde het standpunt, dat je je zelf moest kunnen redden als je uit huis was. Hij demonstreerde zijn instelling het duidelijkst door mijn moeder te verbieden om mij te komen helpen of te verzorgen als ik ziek was. Absurd was, dat hij wel elke dag langs mijn huis liep om ándere mensen van dienst te kunnen zijn. Zelfs als hij wist dat ik daar boven alleen lag: nooit heeft hij mij zijn hulp aangeboden! In de vaak te koude slaapkamer had ik snel last van spit en kwam dan nauwelijks mijn bed uit. Mijn moeder kwam een keer met een warmere ochtendjas. Ze wilde mijn rug insmeren en er vette watten op doen. Toen ze uit het raam keek, zag ze pa langs komen wandelen. Opeens werd ze heel actief: klopte hard op het raam en wenkte hem naar boven.
Ze beet hem toe: “ga daar staan, laat Trees op je rug leunen, dan zul je merken dat ze zich niet aanstelt!” Daarna smeerde ze mijn rug in, waarbij ik soms moeizaam een gil van pijn onderdrukte. Nu durf ik te zeggen, dat ik me afvroeg of hij jaloers was op mijn moeders aandacht? Een andere reden kon ik niet bedenken voor zijn gedrag. Op een avond kwam mijn vader op bezoek en vertelde openhartig, hoe hij zich in het huwelijk met mijn moeder voelde. Ik was verbaasd, maar ik had respect voor zijn openheid. Ik heb stil zitten luisteren, meer kon ik niet doen. Jammer vond ik het alleen, dat hij blijkbaar niet open met mijn moeder sprak over hun privézaken. Het bleef ook bij dat ene open gesprek. Ook met mijn moeder had ik op mijn kamer eens een open contact. Ik vertelde haar, dat ik het al langer moeilijk vond om zonder relatie of vriend te leven. Ik voelde in me, dat ik te geven had. Ze luisterde aandachtig en zei: “misschien heb je deze jaren nodig ter voorbereiding op wat nog gaat komen”. Dit bleken profetisch wijze woorden! In de tussentijd vond er een draaiing van honderdtachtig graden plaats. Bij Groenlo hoorde voor mij altijd de houding van het “me moeten gedragen”: want ik was de dochter van…Nu opende de Grollenaar het gesprek met: “bent u de vader van juffrouw Miedema?” Leuk!
In de zomer van 1973 ben ik naar een internationaal jeugdhotel in Oberammergau geweest. Wij zeiden: “Oberjammergau”, want de Beieren wisten ons Nederlanders niet zo te waarderen. Daar waren jonge volwassenen uit veel landen en samen hadden we een leuke tijd. Ik wilde leren dijenkletsend te dansen en ook het jodelen leek me leuk, maar dit plan mislukte. Ik raakte bevriend met een Duitse studente: Ute Bachmann uit Aken en ook met Cato, een collega uit Winsum bij Groningen. Ute en ik hadden diepgaande gesprekken. Zo ontdekte ik bij zo’n gesprek met haar iets aparts. Hangt mijn angst om te reizen samen met mijn oude ervaring: als ik weg ben van huis, dan kan er tijdens mijn afwezigheid thuis iets onherstelbaars gebeuren? Destijds stierf mijn broertje. Had ik de link gelegd: als ik thuisblijf gebeurt er niets of dan kan ik wél afscheidnemen, maar als ik wegga, glipt het me uit de handen en kan niets meer doen, dus gevaar..?! In het derde schooljaar ging ik de weekenden naar Ute in Aken en Cato in Groningen of bleef ik in Groenlo. Daar ging ik elk weekend uit dansen, destijds het Las Vegas van de Achterhoek. Men kwam van heinde en ver, je trof er allerlei lui. Ik vond het wachten tot je ten dans gevraagd werd niet leuk. Als ik muziek hoorde, wilde ik dansen en desnoods zelf iemand kunnen vragen! Dat gevoel alsof je op een koemarkt stond, zo werd je vaak bekeken, deed ook niet echt goed! Verder heb ik genoten en ben vaak tot diep in de nacht op stap geweest. Soms werd het al licht en hoorde ik de vogels al fluiten. Na weinig bedtijd gaf ik gymnastiekles die eerste twee uur op maandagmorgen! De verdere dag was ik dan zeer alert en dook vroeg mijn bed in. Mijn vader tipte me twee boeken te lezen: “Ik ben oké, jij bent oké”- T. Harris en “Open Huwelijk”- N. en G. O’Neill. Na deze gelezen te hebben sprak ik er met mijn ouders over. Voor mij waren het openbaringen, maar tot mijn grote verbazing merkte ik dat mijn ouders, alhoewel ze beiden de boeken kenden, er niets mee bleken te doen! De schellen vielen van mijn ogen: aha, zó zat het dus in elkaar, míj van alles voorpreken, van mij als-maar eisen, maar er zélf niet naar leven. Wat een inzicht! Ik had gemerkt in de tussentijd, dat de mij vertelde voorspiegeling voor “later” ook helemaal niet bleek te kloppen: jammer genoeg moest ik vaststellen wereldvreemd te zijn opgevoed! Ik ging nu eerst maar eens voor mezelf uitvinden hoe het leven dan wél in elkaar zat! Daar had ik wat tijd voor nodig, ook om dit alles een plekje te kunnen geven.
Er volgde een stuk verwijdering tussen ons, van mij uitgaand. Na een jaar vriendschap vroeg Ute of ik mee wilde gaan naar een studentenfeestje. Prima, daar was ik altijd voor te porren, het was in het Ruhrgebied in Bochum waar haar twee broers studeerden. Daar leerde ik in augustus 1974 tijdens vier schoolvrije Grolse kermisdagen Rolf Bachmann, latere echtgenoot, kennen. Hij was net afgestudeerd in geschiedenis en politicologie. Hij wilde journalist worden aan een grote krant: Hamburg, Berlijn, Stuttgart, München. Geweldig, ik wilde wel mee door den lande trekken. Dan zou ik op de radio in een kinderuurtje voorlezen of zoiets. Naar het buitenland verhuizen is een grote stap. Ook het huwelijk, voor mij de rest van mijn leven, was ingrijpend. Maar gesteund door de twee eerder gelezen boeken, durfde ik de stap aan: als het mogelijk was om zó te leven! Ik kocht deze boeken voor Rolf in het Duits, maar hij las ze nooit: “vertel mij er maar over”, zei hij dan. Vond ik niet leuk, maar ik tolereerde zijn antwoord. Tja, ik tolereerde veel… In feite vond ik het saai worden in mijn baan hier in Groenlo en het liep allemaal prima, ik wilde graag iets anders, maar wist niet wat. Deze wissel kwam voor mij op een goed tijdstip, ik bleek rijp voor een verandering! Binnen een jaar trouwden wij en verhuisde ik na vier jaar Groenlo naar Bochum. Dus tóch een universiteitstad, al was het dan geen Nijmegen! Heel zenuwachtig kon ik op de valreep mijn Nederlandse rijbewijs halen, anders moest ik in Duitsland opnieuw beginnen met rijles. Wel probeerden we of Rolf in Nederland een baan kon krijgen, maar hij sprak onze taal te slecht. Mijn lieflijke zussen weigerden Duits te spreken toen hij de eerste keren naar ons huis kwam: “moetie maar geen Nederlandse kiezen, dan leertie hier meteen Nederlands!” Rolf had wel hoofdpijn die eerste weekenden bij het bezoek aan mijn ouders. Ik kon prima Duits en we dachten in onze jeugdige overmoed, dat twee plus twee ook vier zou zijn over de grens. Dát bleek wel zo te zijn, alleen het ervan uitgaan dat ík hen dat mocht onderwijzen, bleek een misrekening! In Bochum werd me op een school voor gehandicapte kinderen een tweede klas aangeboden. Na deze afspraak durfde ik hier mijn vaste baan op te zeggen. Nu dus het klaarmaken van papieren en allerlei bijkomende handelingen bij een verhuizing naar het buitenland. Een bijzondere ervaring mag ik niet verzuimen te vertellen: er werd een bewijs van bekwaamheid geëist om als buitenlandse met een Duitser te trouwen: “Ehefähigkeitszeugnis”! Verbaasd vroeg ik wat dat dan wel inhield. Bleek niet zo ernstig te zijn als het klonk. Ik had mijn geboortebewijs nodig uit Boxtel en een certificaat van de burgervader alhier, dat mijn brave-burger-zijn aantoonde. Dan bestond er geen hindernis om een Duitser te trouwen. Wel kon ik het niet nalaten om Rolf te vragen of hij voor mij dan ook zo’n bewijs had. Ik wilde ook graag een op zijn huwelijksbekwaamheid geteste echtgenoot! Het ambtelijk apparaat bleek niet over een formulier voor zijn landgenoten te beschikken! Maar dat ambtelijk Duitsland had nog een verrassing in petto: twee dagen achter elkaar kreeg ik op de gezondheidsafdeling bij dezelfde ambtenaren hetzelfde onderzoek. Daar hoorde ook twee keer het testen op geslachtsziekten bij. Wat dit laatste betreft, was het voor mij nog maar de vraag of een geslachtsziekte wel van de ene op de andere dag kon ontstaan, maar als officieel be-wezen-brave-burger, dat zeiden tenminste mijn papieren, hield ik mijn mond. Dit alles bleek noodzakelijk om het land in te mogen komen om er dan ook te wonen en te werken. Elk onderzoek kostte zestig DM, leve de EEG…En ik ging nog wel vrijwillig naar dit land!
De directeur van de lagere school vermeldde in zijn referentie naast lovends ook mijn grote loyaliteit. Mijn moeders uitspraak: “doe het jezelf en de kinderen niet aan” bij mijn keuze voor de opleiding acht jaar geleden waren dus misplaatst: ik bleek wél een goede en gewaardeerde onderwijzeres te kunnen zijn!
Rolf’s toekomstvisie veranderde met zijn perspectief als een aanstaande echtgenoot met een eventueel later gezin. Hij vond nu een zékere baan nodig en die meende hij in het onderwijs te vinden; na de theoretische studie volgde hij anderhalf jaar een opleiding voor de praktijk in het onderwijs. Thuis in de keuken zei mijn moeder: “Trees, ik heb je nog zó gezegd: géén leraar!” Mijn beteuterde antwoord was, dat hij mij ook eerst over de journalistiek had verteld… Nou ja, het zou dus een minder avontuurlijk leven worden. We trouwden eind juni voor de kerk in Groenlo. Al in februari waren we in Bochum voor de wet getrouwd. Mijn spaargeld bleek erg nuttig te zijn: wie trouwt met een arme student, die alleen maar veel LP’s voor zijn stereo-installatie bezit…en naar later bleek ook nog een studieschuld, maar dát wist ik destijds nog niet! Rolf kwam met een verhuiswagen, we laadden al mijn spullen in, toen restte alleen nog het afscheidnemen. Op naar de nieuwe horizon met mijn nieuwe naam in mijn nieuwe Néderlandse paspoort: Frau Bachmann!
Duitsland Ruhrgebied, Bochum 1975
Net voordat ik in Bochum kwam wonen, had Rolf een woning in het zuiden van de stad gehuurd. Spannend, nog nooit gezien. Het werd er al heuvelachtig door de uitlopers van het Bergische Land. Op de tweede etage met een balkon, uitgesneden uit het dak, had je een prachtig uitzicht op de Ruhr Universiteit, verder keek je uit over de boomkronen! Onze verhuurders waren “op stand”, ik werd terdege ondervraagd: ik was toch “Lehrerin”? De huurders waren alle academici; nou ja, ik liftte maar mee op het niveau van mijn man. Ik nam contact op met de directeur om mijn lessen na de vakantie voor te bereiden. Er volgde een gesprek, dat ik nooit zal vergeten. Hij vertelde mij over het besluit tijdens de lerarenvergadering: ik mocht niet in een klas lesgeven, wel mocht ik als hulp in de functie van “Pädagogische Unterrichtshilfe” fungeren, de laagstbetaalde van het team. De directeur vroeg nog naar mijn bevoegdheden. Omdat er te weinig docenten waren, vroeg hij mij of ik godsdienstles wilde geven voor hetzelfde salaris. Toen kon ik met vaste stem antwoorden: “Nee!” Daar sta je dan: je vaste baan, je land achter je gelaten en je opleidingsniveau ontkend. Ik werd hard wakker geschud en was deels verbitterd en boos. Ook op mezelf: waarom had ik niet gevraagd om schriftelijke bevestiging bij zijn eerste toezegging?! Lang zetten we ons in voor erkenning van mijn diploma, betere werkmogelijkheden met passende betaling voor de toekomst. Als buitenlandse kreeg ik voor maximaal een jaar een werkverdrag, maar de nationaliteit opgeven was een stap te ver voor mij: ik had verder alles al voor mijn man opgegeven. Zo ontstond er de vreemde situatie, dat ik ook later steeds werk moest verrichten waarvoor ik niet was opgeleid en waarvoor ik wél was opgeleid, werd me verboden. Dan werkte ik me in bij de nieuwe baan, na een paar maanden liep het ook goed en toch moest ik aan het eind van het schooljaar weer verdwijnen. Zonde van al die inzet en voor hen verdween er een steeds waardevollere én erg goed-kope werkneemster met een breed scala aan werkervaring! Dus met pijn in mijn hart moest ik altijd stoppen.
Pas na vele jaren kregen we via het ministerie officieel antwoord op onze vraag waarom mijn opleiding hier niet erkend kon worden: er bestond geen verdrag tussen de Nederlandse en Duitse ministers van onderwijs over. De medische wereld kende wel zo’n verdrag. Omdat ik geen Duits diploma bezat, werd ik ingeschaald als hebbende geen diploma! “En mevrouw, u had drie jaar eerder moeten komen, toen zochten we mensen zoals u,” zo de letterlijke tekst van de inspecteur van onderwijs. Tja dank u, toen kende ik mijn man nog niet. Zo ontdekten we, dat we de zaak hogelijkst naïef hadden aangepakt. Het was verstandiger geweest, als ik gewoon verder had gewerkt met mijn vaste baan in Groenlo. Dan had Rolf op dertig kilometer afstand, nét over de grens, zijn vervolgopleiding kunnen volgen. We hadden eventueel aan de grens kunnen wonen. Maar Rolf wilde het contact met zijn vrienden niet opgeven, wat ik heel serieus nam: meer dan mijn eigen interesses…! Ik was ook niet gewend mezelf serieus te nemen, als er interesses van anderen in het geding waren. Wel was ik er rijp voor om de wereld te verkennen en tja, nu zat ik er middenin! Oké, zo heb je momenten in je leven waar je de keuzes fout kunt noemen, maar hoe fout is een leermogelijkheid? Nietkiezen is misschien veiliger, maar leef je dan echt?!
Dat eerste jaar in Duitsland was ook op andere vlakken pittig. Mentaal ging ik hard onderuit door alle snelle, ingrijpende veranderingen in dat jaar. Ook de spanning door de onzekere situatie in mijn baan eiste zijn tol. Ik sliep heel slecht, werd apathischer. Ik werd geholpen door een arts, die mij autogene training leerde. Vooral één uitspraak van haar hielp me: “wie had dit dan béter kunnen doen dan jij?!” Bij het ABP had ik een aanvraag ingediend voor de uitbetaling van mijn, gedurende vier jaar in Nederland opgebouwde, pensioen. Anders moest ik privé alles bijbetalen en ik wilde toch met Rolf in zíjn land verder. We hadden er met twee minimale salarissen ook geen geld voor: hij verdiende zeer matig tijdens zijn vooropleiding. Van het pensioengeld kocht ik een piano, de rest investeerde ik mee in een nieuwe Lada, zo konden we die nét betalen! En nu kon ik elke dag thuis pianospelen!
Kort daarna kreeg ik ’s nachts een pijnaanval, ik hing boven de wc, zoiets kende ik niet en wilde spontaan op een operatietafel klimmen! Door Rolf gesust kroop ik weer in bed. Na onderzoek bij diverse specialisten moest ik na twee maanden met spoed naar het ziekenhuis: blindedarmontsteking. Er kwam van thuis geen bezoek: mijn moeder ging naar haar moeder in Limburg. Na twee weken werd ik ontslagen. Weer thuis kwam de huisarts twee keer per dag: ik had heel hoge koorts. Weer in rap tempo terug het ziekenhuis in, nu per ambulance. Laat in de avond had ik een professor en zijn team aan mijn bed staan, ze durfden niet meer te operen: buikvliesontsteking! Mijn buik werd met ijszakken gekoeld en ik kreeg de maximale dosering antibioticum. Nu kwamen mijn ouders wel op bezoek, er werd geld ingezameld voor een rode ochtendjas voor mij. Ik leerde het Duitse klassen-systeem kennen: als Angestellte was ik derde klas verzekerd, met vijf vrouwen op een zaal, verzorgd door de afdelingsarts. Later bleek dat ik als echtgenote van een ambtenaar particulier verzekerd had moeten zijn, dan had ik tweede klas gelegen! Dan had ik de professor al eerder leren kennen (en hij mij…). Die extreme behandeling heeft sporen na-gelaten in mijn lijf en leven. Nog merk ik de gevolgen ervan, maar ik wil het niet te medisch maken. Door deze belevenis, op het randje van de dood te zweven, ontstond er een ande-re houding tegenover mijn lijf en leven. Ik mocht ervaren maar één lichaam te hebben, daar draag ikzelf de verantwoordelijkheid voor: dit kan niemand me afnemen of voor me overnemen. Na dat jaar op school stopte ik. Het tweede en derde jaar gaf ik freelance cursussen: bij leerlingen aan huis pianoles. Dit autorijden was als een ontgroening met mijn nog verse Nederlandse rijbewijs en erg weinig rijervaring in zo’n stad van destijds vierhonderdvijftigduizend inwoners. Wel wapende ik me met een kaart en spiekbriefje: ik leerde de vier- en zesbaans autosnelwegen kennen! Geen bloed, wel zweet en tranen! Veel ervaring met verkeerslichten en hellingproef had ik in en rond Groenlo ook bepaald niet opgedaan! Nu kon ik genoeg oefenen in het zuidelijke Bochum. Bij de “Familien Bildungsstätte” vond ik fijn werk: handvaardigheidscursussen en blokfluitles voor kinderen. Wat me in Bochum opviel was, dat de stad door de nieuwe universiteit als universiteitsstad gold, maar voor mij had het niet de flair van boeiende, oude studentensteden zoals Bremen, Aken of Keulen. Van oorsprong was het een stad van staalindustrie en mijnbouw. Verder stond er de grote Opelfabriek, die auto’s produceerde, de werknemers heetten ook Opelaner. Als stad van ambachtelijke, noeste werkers wrong het nu nog met het imago van studentenstad, de studenten met hun “vrije geest”.
In de stad zelf merkte ik weinig van de studenten, wel in het Uni Center dat dichtbij de universiteit was gebouwd. Daar vond je ook leuke restaurantjes, veel studentenflats, alter-natieve activiteiten, veel films en concerten. In de stad stond het bekende Bochumer Schauspielhaus, schouwburg, waar intendant Peter Zadek schokkende voorstellingen ensceneerde. Als hij het me te bont maakte, heb ik de zaal wel eens verlaten. Bij pianoles zei de Poolse concertpianist tegen me, dat ik van voren af aan moest beginnen vanwege te kort schietende techniek: zo kon ik niet verder komen! Tja, afleren is moeilijker dan aanleren…
Thuis oefende ik met taarten bakken. Ik merkte dat je niet meetelde in mijn nieuwe “Heimat” als je voor je bezoek geen zelfgebakken taart met bescheiden trots op tafel zette. Als ik moe uit school kwam en gebak bij de bakker haalde, dan werd het stil aan de tafel bij de gasten. Dit verwende gedrag kende ik niet vanuit mijn land. Mijn keus was dit nieuwe vaderland, dus ik oefende ik me in ’s lands gebruiken. Lange tijd zat ik op het niveau van “aardbevingstaarten”: práchtig in de oven, maar bij het eruit halen verschoof alles of zakte in elkaar. Lekker was het tóch! Ik heb mijn man gezegd: als ik hier sociologie zou studeren, dan weet ik al het thema van mijn afstudeerscriptie: Duitsers en hun “Kaffee und Kuchen”! Mijn instelling was: huisvrouw oké, maar Déutsche Hausfrau word ik NOOIT! Dat vond ik wel het laatste om het huishouden tot je totale levensinhoud te maken. Ik zag bij mijn Duitse schoonmoeder: het totale voegen naar de wensen van anderen, de kinderen waren het zo gewend. Omgekeerd verwachtte de huisvrouw vaak als dank het door haar gewenste gedrag van het nageslacht. Nou, zonder mij! Ik voelde gewoonweg, hoe het op de loer lag: het verwachtingsplafond van het hoe-het-hoort-gedrag lag hoog en bleek een vertrouwd patroon. Nu ik zo moeilijk een baan kreeg, leek het zo gemakkelijk me maar te voegen. Ter bescherming van mijn identiteit zette ik me bewust af tegen dit verwachtingspatroon!
Ons leven belandde uiteindelijk in rustiger vaarwater en ik had een kinderwens. Rolf had een langere aanlooptijd nodig, dus we wachtten rustig af. Hij was klaar met de vooropleiding (Herr Studienreferendar werd nu Herr Studienrat, zo leuk die titels!) en gaf les in Herne. Begin 1977 raakte ik in verwachting. Met twee vriendinnen bleken we alle drie een risicozwangerschap te hebben, wat een extra band gaf. Al snel lag ik in de Landesfrauen-klinik, die naam klinkt zo naar struise deernen! Ondanks alle inzet volgde er toch een mis-kraam. Verdrietig, vooral toen de pijn niet te delen bleek met Rolf. De vriendinnen lieten zich ook niet zien. In de zomer waren we vijf weken in de Alpen, ik bleek enige weken daarna voor de tweede keer in verwachting te zijn! In september bezocht ik mijn vriendinnen en mocht hun babytjes bewonderen. Dat was moeilijk, het schrijnde: ik was er wel voor hen en zij niet voor mij…
Qua werk wilde ik naar Nederland. Aan het begin van dat jaar hadden we een aanvraag ingediend bij het ministerie: want als ambtenaar mocht Rolf niet vrij solliciteren. Ons plan was, dat Rolf in Duitsland en ik in Nederland zouden lesgeven. Hij vroeg overplaatsing naar het Rijnland aan waar hij vandaan kwam. Het leek mij een gezellig soort mensen te zijn. In Mönchengladbach proefden we de sfeer bij een thuiswedstrijd van Borussia Mönchengladbach in het voetbalstadion. Een geweldige stemming, die daar in de stad heerste.
Ja, daar wilde ik wel wonen en het lukte snel: Rolf begon zijn nieuwe schooljaar al in Erkelenz. Daarna kreeg ik officieel te horen, dat onze tweede baby onderweg was: ons Alpenkindje. Mijn moeder keek me niet eens aan, toen ik het vertelde; ze bleef onveranderd op haar naaiwerk aan de naaimachine gefocust. Ze vroeg alleen: ”moet dat weer zo’n drama worden?” Mijn vader weigerde te helpen om mijn koffer uit de auto te tillen: hij had het aan zijn longen. Uit angst voor weer kwetsende reacties als ik mijn – of eigenlijk ons – belang óók zou melden, perste ik mijn tanden op elkaar en tilde zelf! Zo ontwaakte weer het bekende gevoel, dat ik een last dreigde te worden voor mijn omgeving. In die tijd woonde Rolf door de week bij zijn ouders in het Rijnland en ik nog in Bochum. Moeilijk: nu alléén een risicozwangerschap te doorstaan. Elke dag moest ik naar de gynaecoloog om een hormoonspuit te krijgen. Behalve moeilijk ook pijnlijk: dat hormoon bleek alleen in olie oplosbaar. Na het inspuiten moest die substantie op de vers gespoten plek goed in het onderliggende weefsel gemasseerd worden en dat voelde ik erg goed! Maar ik koos ab-soluut voor een kind, inclusief alles.
Ondanks alle inzet kreeg ik de tweede miskraam binnen een half jaar. Rolf was gelukkig net die tijd in Bochum.
Duitsland Rijnland, Erkelenz-Gerderath 1978
We verhuisden naar het Rijnland, na tweeënhalf jaar in het Ruhrgebied te hebben gewoond. Ten westen van Erkelenz huurden we een woning in het dorpje Gerderath: richting Nederland, waar ik werk hoopte te vinden. Erkelenz ligt tussen Aken en Mönchengladbach. Nu kon ik dichtbij de Nederlandse grens, Nederlandse en Belgische zenders ontvangen. Wat had ik de Nederlandse cultuur en zijn cabaret gemist! In Bochum kon ik alleen naar de Nederlandse radio luisteren. Daar was zondagmorgens mijn lievelings-programma Willem Duys met “Muziekmozaiek”. Mijn man wist: laat Trees genieten. Een kopje koffie erbij met “tjoeps” erin, scheutje koffielikeur, en soms een beetje slagroom: genieten op hoog niveau! Zo dichtbij de grens kon ik nu veel op de voet volgen tot aan het inhalen van Sinterklaas toe! Op zaterdagmorgen reden we de grens over naar Posterholt met zijn markt en de Spar; soms de dertig kilometer naar Roermond met V&D en HEMA. Nu pas ontdekte ik, dat ik wél heimwee kon hebben: het zat altijd verstopt!
Dat eerste jaar in het Rijnland heb ik veel Nederlandse lagere scholen bezocht om me voor te stellen, mijn cv onder de arm. Dit initiatief werd op prijs gesteld, maar ik kreeg het advies om mijn Nederlandse naam niet zo expliciet in Limburg te noemen. Heeroom Ed Miedema, als pastoor van parochie “t Eikske” in Schaesberg, bleek voor de bisschop in Roermond te progressief, hij was zijn tijd vooruit. Nu staat men toleranter tegenover zijn ideeën en aanpak en op deze oom was ik juist zo trots. Ook vernam ik dat Limburgse onderwijzersgezinnen veelal helemaal geen kostwinner hadden. Ik mocht dankbaar zijn dat mijn man tenminste werk had, ik moest in Duitsland maar werk zoeken, werd mij ge-adviseerd! Teleurgesteld en verdrietig keerde ik huiswaarts: ons plan mislukt, tenminste voor mijn deel…Zelfs op de Nederlandse NATO school in de buurt nam men mij niet: ik was getrouwd met een Duitse ambtenaar, die kon van hogerhand zo verplaatst worden. Ik zei, dat ik geen taxfree voordelen hoefde, want dat hoorde bij die baan: werk zélf was belangrijker voor mij. Zoiets kenden ze niet, dat had nog nooit iemand gezegd! Niets hielp. Een gevoel van “niet kunnen” overviel me: geen kind kunnen krijgen, geen baan vinden, geen erkenning van mijn opleiding, te weinig geld om een huis te bouwen. Zoiets was allemaal belangrijk in Duitsland, merkte ik. Ik voldeed hier allemaal niet aan. Met lood in de schoenen klopte ik bij het arbeidsbureau in Erkelenz aan, waar ik mijn verhaal vertelde. Nu hoorde ik, dat ik helemaal geen récht had op werk! Na deze uitspraak brak er een enorme huilbui los. De oudere dame bekeek me aandachtig: ze zag dat ik écht wilde werken! Ze zei, dat ze het anders ging aanpakken in mijn geval. Voor mij was het moeilijk een baan te vinden, dus mocht ik via een “Arbeits Beschaffungs Massnahme” voor tenminste een jaar aan het werk. Zij betaalden volledig mijn salaris, daarna werd ik hopelijk overgenomen door de werkgever. Als dat mislukte, duurde het drie jaar om weer in aanmerking te komen voor zo’n speciale maatregel. Weer een mooi plan, onderhand was ik al voorzichtiger met zulk soort plannen, maar nu kon ik tenminste aan het werk in die regio. Ik hoopte via een baan cursussen te kunnen volgen: ik zocht mogelijkheden om een Duits diploma te krijgen, zodat ik beter kon worden ingezet en ingeschaald. Niemand kon het inschatten: men kende mijn opleiding gewoon niet.
In maart 1979 startte ik op een kleuterschool voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten in de buurt van Heinsberg, richting Sittard. Tja, een kleuterschool met vaak oudere kinderen erbij vanwege hun niveau, meestal ook met gedragsproblemen. Ik had een sympathieke en openminded leidster en ik was haar hulpje. Soms was er een stagiaire bij, nou we konden alle hulp wel gebruiken! Veel dienstweigeraars waren actief in dit soort inrichtingen en ik kon prima opschieten met hen. Samen wilden we wel een alternatieve school oprichten; zij zagen ook zaken, waarvoor zij constructievere ideeën hadden! Het was hard werken, weer een school die de hele dag doorging met een warm middageten en daarna rusten voor de kinderen. Gelukkig kon ik met de schoolbus meerijden, die ook leerlingen in ons dorp afhaalde. Onderweg brachten ze me op de hoogte van de nieuwste grappen en hits, inclusief eindeloze herhalingen. Om vijf uur thuisgekomen had ik een eigen ontspanningsritueel ontwikkeld: eerst een pot thee leegdrinken en dan in bad, pas daarna was ik inzetbaar.’s Morgens vertrok Rolf iets eerder dan ik en hij was al om half twee thuis, dus hij kende dit niet. Ik vond voldoening in het werken met deze kinderen, maar het slurpte energie! Ik zei tegen Rolf, dat ik nu genoeg had aan mijn werk. Bij thuiskomst was ik blij, dat er geen eigen huppeltje ronddartelde. Hij reageerde met: “nee, ik mis thuis wel een kind”.
Qua thema eigen huis begon er iets in ons te borrelen. In het Ruhrgebied hoefde je daar niet aan te denken: veel te duur! In het Rijnland merkten we de goedkopere en duurdere streken. Als je van Aken naar Mönchengladbach een denkbeeldige lijn trok, dan kon je zien hoe duur het was om ten oosten van die lijn, richting Dusseldorp, te wonen. Wij zaten in de westelijke, gunstiger sector en we waagden de stap. Nu ik meeverdiende, besloten we te oefenen met spaarzaam leven. Dit als test om te kijken wat we maandelijks aan hypotheek konden besteden, we spaarden een goed bedrag. Via de gemeente konden we gunstig een perceel kopen. We kozen een prefab huis vanwege zijn gegarandeerde eind-prijs én bouwtijd! Een aannemer zou herfst 1980 de kelder bouwen en begin 1981 zou volgens planning het huis erop worden gezet en binnen zes weken opgeleverd worden!
Mijn voorstelling van het gezellige Rijnland bleek te flatteus: vaak hoorde ik veroordelende uitspraken, de mentaliteit was een stuk conservatiever dan ik kende én had verwacht! Na het tolerante Ruhrgebied met veel instroom overal vandaan, hokte iedereen hier behoorlijk vast. Wij vielen onaangenaam op met onze Russische Lada. We hadden een Russische spiegelreflex-camera die het gunstigst was bij een winkelketen. Mijn man kwam van een “progressieve, linkse universiteit”, zijn vak politicologie mocht hij aan de huidige school écht niet doceren. Dus nog een studie economie erbij en toen klonk het heel anders: sociale wetenschappen! Ook nog sectievoorzitter geworden, braaf, braaf! Ondertussen was hij nu ook Herr Oberstudienrat, dus die wereld was in orde! Dan had je mij nog, vrij van alle oude vertrouwde, gewaardeerde Duitse gedragscodes. Ik trok me er na een paar keer niets meer van aan en begon een soort spel met hun gedoe. Als ik goed op gang was, fluisterden ze tegen elkaar achter voorgehouden hand: “ze is een Néderlandse”! Ze vroegen of ik Rooms Katholiek was. Ik zei: “nee, Néderlands Katholiek.” Daar keken ze raar van op, lichtelijk onzeker, ze durfden niet na te vragen, ik toonde mijn pokerface, had innerlijk lol! Stelletje idioten, ze vroegen erom. Ik wilde niets meer van mijn identiteit inleveren en hun tolerantie jegens mij was ook niet bepaald geweldig.
Deze eigenschap toonde ik al als tweejarige kind bij het MOB in Tilburg, waar ik in mijn nood tegen schenen van onderzoekers schopte of als ze iets tegen mijn overtuiging deden. Nu paste ik die eigenschap in overdrachtelijke zin toe: het hielp me mezelf te blijven. Geen gedrilde slaaf meer, maar een persoon in eigen regie. Gooien jullie het maar op mijn Nederlands zijn, als jullie een gebruiksaanwijzing nodig hebben. Ik verwierf er voor mezelf een innerlijke vrijheid mee, die ik hard nodig had. Desnoods wilde ik er wel de dorpsgek voor spelen.
Natuurlijk werd er in het Rijnland heftig carnaval gevierd. Het gymnasium waar Rolf werkte, was het grootste van de hele deelstaat NRW. Rolf vroeg aan mij om een kostuum voor hem te naaien: graag grappig. Jawohl, wird gemacht! Bij het kos-tuum ontwierp ik een applicatie, die over zijn hele rug liep. Daar stond een rebus op. Eronder had ik genaaid: wie dit raadsel oplost heeft het Abitur, diploma, gehaald! Zijn collegae kregen de slappe lach, want het was algemeen bekend dat die school wel heel erg snel diploma’s uitreikte. Ik had mijn man al schijnheilig gevraagd: “weet je wel, dat jullie Duitsers nog steeds Über-menschen zijn?” Gespecialiseerd in Tweede Wereldoorlog, wist hij waarover ik het had: “Hoezo?” “In Nederland gaan nooit zoveel leerlingen naar het gymnasium en hier zo’n beetje iedereen.” Deze waarneming wilde ik wel weergeven, vond ik mooi passend bij carnaval. De directeur werd geattendeerd op Rolf’s uitdossing, hij kwam hoogst persoonlijk achter hem lopen om het te kunnen lezen, misschien ook om de rebus op te lossen?! Niet verwonderlijk dat het nooit tot een warm contact tussen ons kwam, nadat hij Rolf trots hoorde verkondigen, dat zijn vróuw dit had ontworpen!
Ondertussen bleek duidelijk dat zwanger worden én zwanger blíjven moeilijk was. Na onderzoek mocht Rólf genieten van hormoonspuiten in zijn bil, gezet door zijn vrouw! Eind augustus, net op mijn verjaardag, deelde hij mij bij een etentje in Maastricht mee, dat hij wilde stoppen met het hele hormoongedoe. Dan maar adopteren later, als ons huis klaar was. Ik wist niet wat ik daar hoorde en had het hier enige maanden moeilijk mee: ik wilde een eigen kind! Ik kende die veranderingen al aan mijn lichaam en wilde verder daarmee. Tijdens de oudejaarsnacht in Brugge 1979/1980 heb ik, staande op een bruggetje, gebeden en gezegd: als het dan niet kan zoals ik het zo graag wil, dan laat ik het los!
Kort daarna kreeg ik de mededeling, dat mijn contract niet werd verlengd. Ik was verbaasd en gekwetst: het bestuur had mij toch een vaste baan beloofd en een verdere opleiding. Destijds bleken ze erg tevreden over mijn werk, waarom die wending?! Zelfs de ouders gingen voor mij op de barricade, maar het mocht niet baten. Later bleek dat de oorzaak van mijn ontslag lag in het feit, dat ik in een vergadering was opgekomen voor de interesses van de kinderen en dát was doorgegeven. Die belangen strookten niet met die van bepaalde gezagsdragers. Altijd zou ik voor de belangen van de kinderen, vooral deze in hun zwakkere positie als gehandicapte, opkomen maar ja, wie was ik? Zo werd ik de grootste aandeelhoudster van de Tempofabrieken! Bij de hernieuwde melding op het arbeidsbureau regelde de al bekende dame van vorig jaar, dat ik in dit geval meteen weer aan de slag kon: bij Kolping Bildungswerk in Aken als lerares. Nou ja, qua functie dan, financieel niet, maar ik klom op papier op in de hiërarchie. Ik werkte met jeugdigen tussen twaalf en achttien jaar in verschillende dorpen en bood cursussen aan in hun theesoos.
Toen in de nieuwe baan het vakantierooster werd besproken, bleek ik nog recht te hebben op vakantiedagen vanuit de oude baan. En die dagen moest ik opnemen voor eind maart! Dat werden drie heerlijke weken Romantische Strasse en Spessart. Tja, en opeens had ik daar moeite met de trap en het klimmen bij wandelingen…Het bleek dat ons derde kind zich aanmeldde. Later hoorde ik, dat ik door die vakantie gunstige voorwaarden had voor de start van ons minihuppeltje. Deze zwangerschap leerde mij meer variaties van complicaties. Met veel liggen, thuis en in het ziekenhuis, deden we onze best voor dit groeiende wezentje. Vooral het van dag tot dag leven bleek mijn houvast. Eind november kwam de chefarts aan mijn bed en vroeg of ik voor of na Sinterklaas het kind wilde hebben. Hij had gehoord, dat het Sinterklaasfeest in Nederland belangrijk was. Vóór Sinterklaas werd onze zoon geboren, gezond en wel!
In het voorjaar 1981 zou ons huis klaar zijn en we zouden dan begin april verhuizen. De algemene opvatting was, dat je als jonge moeder stralend gelukkig was! Eerlijk gezegd voelde ik me bepaald niet zo: het gebruik van al die medicatie vanwege de zwangerschapcomplicaties en nu de naweeën van het lange liggen. Mentaal lever je een enorme prestatie bij risicozwangerschap, waar je elke dag blij bent als blijkt dat je nog zwanger bent. Het echte focussen op de geboorte ontweek ik een beetje, geen idee of het zover kwam! Na grote prestaties krijg je ook een keer een nareactie in welke vorm dan ook. Toen kwam ook de neiging in me op (het bleef bij de neiging) om mensen in hun gezicht te slaan, als ze die gelukshouding van mij verwachtten! Consultatiebureaus met steun en begeleiding kenden ze niet in Duitsland. Ik wist niets: cursussen kon ik destijds niet volgen, want ik moest acht maanden platliggen met medicatie. Ik moest mezelf opnieuw ontdekken na de broedfunctie, gewend raken aan deze nieuwe moederfunctie. Het was eerder een identiteitscrisis. Dan doken nog de vragen van het alledaagse leven op: hoe vouw je de luiers, hoe houd je het kind bij het baden vast en waar je verder zoal tegenaan kunt lopen als kersverse, onwetende en niet begeleide moeder? Alles proefondervindelijk ontdekken. De zeer meelevende, snipverkouden buurvrouw stond dik ingepakt bij het badkamerraam en schreeuwde tips tegen het gesloten raam! Mijn moeder lag in het ziekenhuis en souffleerde telefonisch. Terwijl ons kind sliep, was ik in de badkamer het luiers vouwen aan het oefenen, stoffen luiers dan. Geen Pampers, onze zoon had mijn gevoelige huid geërfd. Ik paste met succes de oude bakermethode toe tegen het vele huilen! Afkolven tussendoor, moe van de extra nachtvoeding, huilt de baby weer..? Nee, ik bestond uit zorg en uitputting. Bij een probleem moest je hier altijd naar een kinderarts, waar ik op het laatst elke dag was. Ik benijdde Nederlandse moeders. Na het belastende rijden moest je daar elke dag uren wachten met je huilende kind. Ik mocht geen borstvoeding meer geven van de specialist. Borstontsteking werd de volgende variatie, terwijl mijn nieren nog aan het herstellen waren van de pre-eclampsie. Dus conflict: vanwege de borsten moest ik weinig drinken en vanwege de nieren veel drinken. En mijn zoon tobde verder met de spijsvertering. Niemand begreep dat ik het erg vond om mijn zoon niet de natuurlijkste voeding te mogen geven. Nu zou ik toch blij moeten zijn met mijn “nieuw verworven vrijheid” werd algemeen verklaard. Nee, ik miste de intimiteit en natuurlijkheid van ons contact tijdens borstvoeding. Voelde me alleen en onbegrepen.
Ook moest ik weer wennen aan het autorijden na driekwart jaar platliggen. Rijden in een koude winter op glibberige wegen is niet mijn sterke kant. En nee, ik was niet gelukkig maar goed kapot! Rolf bouwde het nest, zoals hij het noemde en ik zorgde voor het vullen ervan, vond hij. Bij het thuiskomen ’s avonds verwachtte hij zijn verdiende rust. Tja, die hadden we alle drie niet… Hij begreep niet, waarom ons kind nog huilde. Hij had veel werk bij het rooien van ons met meidoornstruiken begroeide, verwilderde stuk land. Elke avond hielp ik hem met een pincet de doornen uit zijn huid verwijderen. Uiteindelijk belandde onze zoon enige weken in de kinderkliniek ter observatie. Op een dag werd ik stralend ontvangen: “toen ik uw zoon vandaag bezocht, huilde hij gelukkig,” aldus de chef de clini-que. Ik kon hem wel wat doen: die man straalt als mijn zoon huilt?! Nu bleek, dat bij het huilen precies te zien was geweest, wat de oorzaak van zijn klachten was en dat kon verholpen worden met een operatie. Vraag niet hoe solidair ziek ik was op zijn operatiedag, hondsberoerd! Een vriendin die al drie kinderen had vertelde, vanuit haar ervaring, dat dit een heel natuurlijke reactie was. Fijn, dank je!
Duitsland Rijnland, Hückelhoven-Doveren 1981
Begin april verhuisden we, terwijl onze zoon nog in de kinderkliniek lag en daar herstelde van zijn operatie. Vol zorg lette ik er bij de verhuizing op, dat de kinderkamer eerst werd ingericht. Na de verhuizing haalde ik ons kind op: de verwarming kapot. De telefoonaansluiting betaalden we al wel, maar deed het ook nog niet. Eigen vervoer had ik pas na Rolf’s schooltijd. In het dorp kende ik één vrouw met haar dochtertje, ik ontmoette haar in het ziekenhuis tijdens de zwangerschap. Wij woonden met twee gezinnen in het bouwgebied dat eerste jaar. Nou ja, neem er dan nog wat variaties bij, dan heb je enigszins een beeld van de eerste tijd. We woonden in een bouwgebied van 44 percelen op de uiterwaarden van de Roer, die naar Roermond stroomt. Een heerlijk natuurgebied voor kinderen om op te groeien. Het duurde zes jaar voordat de huizen klaar waren, al die tijd dreef het bouwlawaai ons zaterdagsmorgens om zes uur het bed uit. Het eerste woord van onze zoon was “bagger”, klonk ongeveer zo, bedoelde hij ook zo. Vanuit zijn box voor het raam, dat tot op de vloer doorliep, had hij boeiende en wisselende uitzichten. Zijn eerste boekje was vol met bouwvoertuigen, het tweede toonde een boerderij met dieren, ook zeer geliefd en ook weer voertuigen! Het bleek tekenend voor zijn latere leven. Na mijn zwangerschapsverlof vroeg ik bij mijn werkgever om een vast rooster voor de oppas, maar dat ging niet en ik werd ontslagen. Nu met werkeloosheidsuitkering; er gewoon zijn voor ons kind, vond ik geen slecht scenario. Toen onze zoon twee jaar was, startte ik kinderopvang aan huis zodat hij, na mijn intussen al derde miskraam, niet alleen zou opgroeien. Het nu ook tweejarige dochtertje van de bekende vrouw kwam de hele dag bij ons. Haar oudere broertje ging naar de lagere school, hij at en speelde daarna bij ons. De kelderruimte beneden was door Rolf omgebouwd tot “kinderkelder” met een schommel, ringen, rekstok, verwarming en een met krijtbordverf beschilderde muur. Alles was goed geïsoleerd. De man, die vóór de bouw meende twee linkerhanden te hebben, bleek na drieënhalf jaar alles te kunnen, op loodgieterwerk en elektriciteit na! Ik promoveerde tot beste assistente, die acuut naar de winkel reed voor werkmateriaal, hielp bij behangen en opvang bood waar nodig. Ook behoorde de algehele sterking door gezonde doch voedzame kost tot mijn pakket.
Onze zoon was vaker ziek en had veel last van zijn amandelen. Met bijna vier jaar werd hij eraan geopereerd. Er resoneerde iets in mij, maar ik stopte het weg. Mijn man zette ons bij het ziekenhuis af en reed door naar school, later zou hij dan ook komen. Ik vond het spannend daar zonder auto te moeten zijn: dan kon ik niet wegrijden als het te moeilijk werd voor me. Ik wachtte in de lege kamer tot ons zoontje van de ingreep terugkwam. Ze rolden zijn bedje naar binnen, waar een uitgeteld ventje in lag. Toen hij mijn stem hoorde, krabbelde hij overeind naar mij toe. Ik schrok enorm, kende het nabloedinggevaar! Toen hij wat kon lopen en we op de gang waren, bezocht de KNO arts de afdeling. Hij zag blijk-baar meteen aan mij hoe ik me voelde: rende naar mij toe en ik werd hyperventilerend in de personeelskamer gezet. Mijn vriendin werd gebeld om mij af te halen. Later begreep ik deze reactie: het was een herhaling van het scenario van Henkie, destijds had hij ook met bijna vier jaar dezelfde ingreep. Ik had thuis al iets gevoeld, maar ook snel weer weg-gestopt; het liet zich niet meer wegstoppen, zoals nu bleek! Het delen van het ooit doorstane leed, bleek nog steeds niet mogelijk.
Mijn moeder vroeg mij, waarom ik niet gelukkig was: “je hebt toch een man, een kind, een huis?” Ik had geen antwoord paraat, wist het zelf niet. Wat ik thuis heel moeilijk vond, was het accepteren van het feit, dat mijn man al het werk precies indeelde en daar niet van af kon wijken. Hij stelde de regels op: hij zorgde voor het geld en de tuin, mijn zorg was kind en huishouding. Zijn zwartwit contra mijn nuanceringen. Ik moest er zijn als hij thuiskwam, het warme eten moest op tafel klaarstaan. In Duitsland was ik veel ziek. Binnen elf jaar dertien keer het ziekenhuis in telde ik eens, enige keren was ik verlamd. Waarom? Geen idee. Door het dan letterlijk geen kant op kunnen en de soms totale afhankelijkheid van anderen ontwikkelde ik een nieuwe instelling tot mijn lichaam. Ik had nu alle tijd en gelegenheid om me te bezinnen op wat er gaande was: eerst voelde ik me door mijn lijf verraden, in de steek gelaten! Dit kon toch geen toeval zijn zo veel ziek zijn, dit kende ik niet! Ik las veel, zocht naar de oorzaak, wat er toch aan de hand was. Mijn zienswijze wijzigde daarna honderdtachtig graden. Ik begon mijn lijf als spanningsbarometer te zien: ik mocht ervan aflezen dat ik niet goed bezig was, althans niet goed voor míj zelf zorgde, ik die als de beste voor anderen kon zorgen! Ik leerde dankbaar te zijn voor de signalen van mijn lijf, die toonden me vanzelf wat goed voor me was. Dit was echter een proces van jaren en nog steeds…! Mijn moeder kwam enige dagen helpen, toen ik nog verlamd thuis lag. Ze souffleerde voor het ziekenhuis: “als ze vragen naar je voorgeschiedenis moet je zeggen, dat je als klein kind al bij het MOB was.” Dit vond ik zo’n vreemde opmerking en ik voelde, dat nog steeds de instelling gold ten opzichte van mij, als zou ik niet normaal zijn! Later hoorde ik van een psycholoog, dat ik implodeerde. Hé, wat is dat dan? Hij zei, dat ik met overdruk in mijn systeem, door een overmaat aan invloed van buitenaf, niet passend omging. Ik kropte mijn onmacht of bezwaren op, ik uitte ze niet, dan sloeg de spanning naar binnen toe. Maar dat had ik toch zo geleerd in mijn leven?! Mocht toch niemand lastigvallen, alleen maar braaf doen wat mijn omgeving wilde! Voor mijn gezondheid en functioneren was het echter funest. Ik kende verschillende graduaties van uitval: van ziek worden tot en met ingrijpende verlamming toe. Exploderen was gezonder voor mijn systeem. Hoe moest dat dan nu thuis…?!
Via het arbeidsbureau vond ik parttime werk; ze waarschuwden me, dat ik dan geen pensioen opbouwde. Aangezien Rolf toch goed verdiende en een veilige baan had, tilden we daar niet zo zwaar aan. Ik werkte drie jaar als een soort gouvernante in een zakenhuishouding, ook gaf ik enkele jaren Nederlandse les aan de Volksuniversiteit. Eerst voor beginners, daarna ook voor gevorderden. Met plezier vertelde ik over de Nederlandse cultuur. Sinterklaas vieren: lootjes trekken en surprises maken en het “Sinterklaas kapoentje” instuderen. Sinterklaas bleef verdacht veel op de Kerstman lijken bij de surprises, dat project lukte niet écht! Later gaf ik thuis nog intensieve privélessen Nederlands aan toekomstige studenten, die naar het HBO of universiteit in Nederland gingen. Zij moesten binnen drie maanden mondeling en schriftelijk de taal naar behoren beheersen. Dat waren wel de meest gemotiveerde cursisten! Zo verdiende ik wat geld bij voor alle lopende kosten en bloeide ik op bij het contact met de mensen. Een deel van mijn loon stak ik in een nieuwe hobby: het beschilderen van zijde. Die verwerkte ik ook in schilderijen of naaide er iets van. Moeilijke tijden verwerkte ik schilderend in de kinderkelder, daar stond de hele stellage. Ik had succes en had vaker een aankoop door cursisten. Onze zoon deed ook mee en kreeg op zijn negende al opdrachten, hij had zijn eigen stijl!
Het musiceren werd weer aangevuld: ik zong in drie koren: plaatselijk folkkoor, Bachkoor Mönchengladbach en Kamerkoor Niederrhein. Ook nam ik pianoles bij een wel Nederlands sprekende Hongaarse concertpianist, waar ik wederom opnieuw mocht beginnen! Maar het bracht me wezenlijk verder. Door vrienden werd ik vaker Bachfrau genoemd, warum wohl..?!
Bij een bezoek aan Groenlo stonden we in het postkantoor op onze beurt te wachten. Toen ik naar buiten keek, zag ik daar Soeur Joanna op de markt staan! Ik vroeg mijn man even alleen verder te wachten, omdat ik haar wilde ontmoeten. Ze begroette me hartelijk en vroeg of ik nog zong, ik zong zo mooi hoog. Ook vertelde ze, dat ze moeilijkheden hadden met een oudleerling, die nu bij een psychiater werd behandeld. De vrouw bleek ziek te zijn geworden van haar pensionaattijd en nu verweet ze de zusters van alles. Soeur Joanna keek mij aan en zei: “maar Treesje, we hebben het toch goed bedoeld?” Ik voelde diep in mij van alles borrelen en dacht: mens, breek me de bek niet open, mijn man en zoontje zien ons, we staan midden op de markt. Met moeite wist ik me te beheersen! Ik drukte het opborrelende in mij weg, slikte datgene weer door wat naar boven kwam en zei met moeite: “ik zou het niet weten.” Nog steeds de brave, volgzame en aangepaste oudleerling..!
Nadat alle huisklussen klaar waren, had mijn man meer tijd voor andere bezigheden; er ontstonden behoorlijke moeilijkheden in onze relatie. Onze meningen verschilden op diverse gebieden. De financiële regeling voor de huisafbetaling moest ook worden herzien. Uit privacy overwegingen weid ik er niet verder over uit. Zoals ik in elkaar zit, reageerde mijn lijf sterk op de spanningen en was ik vaker ziek. Wel zochten we enige jaren met relatietherapie een begaanbare weg. Uiteindelijk mocht het niet baten. Mijn man besloot in januari 1992 weg te gaan en in Erkelenz te gaan wonen. Eerst woonde hij drie maanden bij een collega in, maar daarna vond hij een eigen woning. Na de boedelverdeling kon hij nu ook zijn flat inrichten. Een advocate, die ook mediator was, stond ons terzijde. Samen zochten we een weg om onze zoon zo min mogelijk te belasten. We spraken af pas jaren later te gaan scheiden, wanneer ik in staat was om mijzelf financieel te onderhouden. De kosten waren zeer hoog voor ons met zijn goede salaris. Ik ben een fervent voorstander van de noodzaak voor een kind om met beide ouders contact te onderhouden. Ik gaf onze zoon de ruimte om, na afspraak, naar zijn vader te gaan. Hij zat nu met zijn elf jaar ook al in de eerste klas van “papa’s gymnasium”. In deze fase was ons fundament als gezin weg-geslagen. Eerst had ik tijd nodig om er achter te komen hoe het nu verder moest. In de zomervakantie was mijn zoon bij zijn vader en ik bezocht mijn ouders in Groenlo. Eindelijk kwam ik eraan toe mezelf eens te vragen, wat ík nodig had voor mijn leven. Het antwoord klonk door mij heen: “GROENLO”! Navraag aldaar bij de gemeente en woningcorporatie, sterkte mij in mijn besluit om terug te gaan naar Groenlo. Mijn doel was om weer aansluiting te vinden bij het basisonderwijs en weer de zelfstandige, onafhankelijke Trees te worden, die ik ooit was geweest. Ik nam het mezelf zeer kwalijk, dat ik me emotioneel en economisch zo afhankelijk had gemaakt! Als Rolf kindergeld voor onze zoon zou betalen was dat in orde met zijn inkomen, maar ik wilde later geen alimentatie. Waar onze zoon wilde wonen, wist ik niet.
Wél wist ik, dat ik het me nóóit meer zou aandoen iemand bij me te laten wonen, die er tegen zijn zin verbleef. Het zou mijn hart verscheuren als hij koos voor papa in Duitsland. Per slot van rekening was hij Duitstalig, verstond wel prima Nederlands, maar hij zat al in het Duitse schoolsysteem. Maar ik mocht me door mijn pijn niet laten weerhouden, voelde ik. Zijn belang kwam op de eerste plaats, het was moeilijk genoeg voor hem! Maar nu was mijn belang eindelijk óók eens aan de beurt. Mijn ankers werden: geen woorden maar dáden – vluchten kan niet meer – ik worstel en kom boven – graag of niet – dit ben ik: je kunt er iets mee of je kunt er niets mee!
Nu ging ik het concretiseren. Ik meldde me als geïnteresseerde aan bij de woningcorporatie voor een woning of huis waar ook mijn zoon een eigen kamer had, hij werd al twaalf jaar. Met die nieuwe instelling ging ik eind augustus terug. Daar heb ik mijn man en huisarts verteld over mijn besluit. De arts drong er op aan om de al eerder aangevraagde kuur voor ons te gebruiken: wat bijtanken qua gezondheid en energie voor onze volgende stap. Begin september zouden we vier weken naar een sanatorium in het Zwarte Woud gaan. Mijn man was van slag door mijn besluit en vroeg zich af hoe het verder moest met het huis en kind. Het advies van de advocate luidde: verkoop het huis, minder strijdpunten! Mijn zoon wilde ik niet onder druk zetten, ik nodigde hem wel uit om mee te gaan naar Nederland: alleen als hij dat echt wilde, anders kon hij elk tweede weekend bij mij op bezoek komen. Ik had daarbij weer mijn nagels in de handen gedrukt om mijn pijn niet te laten zien. Later zei hij mij, dat hij samen met papa had besloten dat hij meeging naar Groenlo. Mijn moeder jubelde: “ik maak elke dag pannenkoeken voor hem!” Ons nieuwe huis bleek later drie straten van mijn ouderlijk huis af te liggen. Nét voor we naar het Zwarte Woud gingen, kwam het bericht dat ik een huis kon huren in Groenlo. Tja, ik kon niet meer komen en vroeg mijn vader om te gaan kijken. Na zijn bericht stemde ik toe en mocht al de oktoberhuur betalen! De kuur viel vies tegen: ik dacht lekker in de watten te worden gelegd, dat kon ik wel gebruiken bij al die stress. Niets ervan: mijn lijf reageerde heftig, extra geprikkeld door het bergklimaat, dit bleek normaal. Ik doorliep allerlei mogelijke ziektes met een ongekende intensiteit. Vertwijfeld was ik, al zo kapot en nu dit nog?! De chefarts jubelde: ik was de meest ideale patiënt van de kliniek. God weet, wat er allemaal uitbrak uit mijn lijf. Wel moet ik zeggen, dat ik zeker een jaar na dit verblijf niet ziek was. Tijdens de kuur belde Rolf, dat hij het huis kon verkopen aan het hoofd van de kleuterschool, bij wie onze zoon vroeger in de groep zat. Onze zoon was heel verdrietig over de huisverkoop, maar het was oké, dat zíj daar dan kwam te wonen! Ook besloot hij om naar een Nederlandse school te gaan. Ik regelde, dat hij dan naar groep zeven zou gaan. Na thuiskomst vond bij de notaris de huisverkoop plaats.
Daarna bereidde ik de verhuizing voor. De verhuizer uit Lichtenvoorde kwam beide huizen bekijken en noemde zijn prijs. Goed dat ik spaargeld had van mijn cursussen, dat kwam nu prima van pas: we betaalden nu al voor drie huizen! Ik nam zijn offerte aan en we spraken twee data af: 23 november inpakken, tot de grens bij Bocholt rijden en afhandelen bij de douane. De 24ste zouden we in Groenlo alles uitpakken in het nieuwe huis, kasten opbouwen, lampen en apparatuur aansluiten. Hun grootste verhuiswagen plus aanhanger bleek nog te klein, dus al onze buren kregen concrete herinneringen aan ons mee.
Als eersten waren we gekomen en als eersten gingen we ook! Onze zoon kon niet mee. Dit betreurde hij hevig bij zo’n superwagen. Omdat hij ziek was moest hij nog een paar dagen bij papa blijven. Hij klom nog snel voorin op de chauffeursstoel en toeterde met inzet! Nee, geen buurkinderen erbij, mijn hoofd liep sowieso om! Een ontroerend afscheid met groots uitzwaaien na bijna twaalf jaar in ons straatje! Om tien uur ’s avonds eindelijk onze aankomst bij de grens, wankelend van vermoeidheid liep ik bij het douanekantoortje naar binnen met alle noodzakelijke papieren. Eerst kreeg ik een groot compliment: nog nooit had iemand de zaakjes zo prima voor elkaar gehad. Dank u. Maar mevrouw, u moet uw auto hier laten staan. Hé?! Je mocht pas importeren, nadat het voertuig zes maanden op jouw naam stond. Nu bleek, dat onze auto alleen op Rolfs naam had gestaan en dat hij hem pas vier maanden voor de verhuizing op mijn naam had gezet. Ik zei tegen de douaneambtenaar, dat de auto dan die twee maanden maar aan de Duitse kant van de grens moest blijven staan, dan kwam ik hem later wel ophalen. God, dat was net wat ik nodig had na zo’n dag, de volgende dag bood nog een pittig scenario! Een geweldige ervaring, zo’n internationale verhuizing…! Door de verhuizers werd ik bij mijn ouders afgezet, zodat ik daar kon slapen. De volgende dag zouden we elkaar bij het nieuwe huis treffen.
Dit was mijn rentree in Nederland na zeventienenhalf jaar!
Groenlo 1992
‘s Morgens kwam de verhuiswagen met aanhanger al vroeg bij het nieuwe huis aan. Er was meteen publiek: de straat werd ongeveer geblokkeerd door het gevaarte! Tot in de namiddag werd uitgeladen, er moesten harde keuzes worden gemaakt: de kasten met Duitse hoogtematen pasten niet in de Nederlandse huismaten. Ze pasten niet qua hoogte óf ze konden niet door het trapgat. Nog op straat staande, moest ik kasten verdelen onder de medewerkers, die wél zo’n kast konden plaatsen! Dus nog tussen de bedrijven door de inrichting aanpassen. Even kroop ik weg in de kamer in een hoekje om de spanning eruit te huilen, alles voelde zó moeilijk! Dan voel je echt hoe het is, om nu alles alleen te moeten doen! We konden voor de eerste keer de verjaardagen van mijn zoon én Sinterklaas samen met de familie vieren. Bijzonder was mijn moeders briefje met Sinterklaas toen, ik draag het altijd bij me. Ik citeer: “Trees laat licht schijnen in deze moeilijke tijden. Je hartelijkheid heeft Sint diep ontroerd. Blijf zoals je bent.” En op de achterkant: “Veel geluk in je nieuwe verblijf in Groenlo”. Het raakt me altijd nog, maar waarom hoorde ik later van haar, dat mijn scheiding een schande voor de familie was?! Een ander begrijpen is waarschijnlijk soms on-bereikbaar voor ons in dit leven…! Alle vakanties ging mijn zoon naar zijn vader; ik zat Kerstavond in mijn eentje met het bijbehorende glas Grolsch bier te proosten op mijn nu zo andere Kerstviering! In het voorjaar, na alle werkzaamheden, meldde ik me bij mijn oudcollegae, vroeg of ik mocht meelopen: in het huidige onderwijs ervaring opdoen. Al snel kreeg ik een parttime aanstelling: drie leerlingen uit Joegoslavië en mijn zoon uit Duitsland mocht ik begeleiden qua Nederlandse taal en een betere aansluiting in hun klas. Na mijn ervaring in het buitenland paste dit prima bij me, daarnaast liep ik gewoon als vrijwilligster en invalster mee. Op woensdagmiddag hielp ik in een vrijetijdsclub met knutselen voor kids. Zo deed ik moeite te reïntegreren. Wel voelde ik me de eerste tijd echt ontheemd; het was veel moeilijker dan ik had gedacht. Ook had ik tijd nodig om op krachten te komen, later werd ik als “wrak” beschreven door de fysiotherapeut. Ik was blij met het contact met mijn moeder: de mogelijkheid bestond even aan te wippen, niet dat ik het zo vaak deed. Ik merkte nu wat ik allemaal had gemist. Langzamerhand begon ik haar ook over mijn tijd in Duitsland te vertellen, ze deed moeite om echt te luisteren. Al die tijd had ik me groot gehouden en niemand erover verteld, hoe daar ons leven was! Mijn vader wilde ik het ook vertellen, maar hij onderbrak me: “Trees, er zijn mensen, die het veel moeilijker hebben.” Bij het maatschappelijk werk kon ik datgene kwijt, wat ik nergens anders kwijt wilde. Ook volgde ik een training assertiviteit. Alhoewel ik assertief overkwam, merkte ik er niets van bij het contact met mijn man elk tweede weekend: dan ging onze zoon mee van vrijdagmiddag tot zondagavond. Zo’n weekend zag ik mijn man twee keer en daar had ik last van. In september was de huisverkoop financieel geregeld. Rolf en ik deelden het restbedrag na afbetaling van de hypotheekschuld. De oude meubels gaf ik aan vluchtelingen en ik richtte me anders in. Dat was belangrijk: dit nieuwe nest had een nieuwe inhoud nodig! Ook zocht ik een andere invulling voor mijn leven en stelde de vraag: waar ben je eigenlijk in je leven nog niet aan toe gekomen, wat had je altijd al willen doen? Het antwoord was meervoudig: dansles, destijds bleef ik midden in de Weense wals steken bij het vertrek naar Arnhem. Nu volgde ik twee danscursussen, brons en zilver. Twee dagen na de begrafenis danste ik af, dit als oppepper aan mezelf dat ik wél leefde en dat ook wilde voelen!
Mijn eerste zangles vond plaats en die werd gevolgd door cursussen aquajoggen en buik-dansen, jammer genoeg moest ik de twee laatste cursussen voortijdig beëindigen na de zoveelste whiplash.
Mijn ouders leefden allebei nog en ik had vragen aan hen, waar ik nog nooit een antwoord op had gekregen. Dus ‘s middags na hun rusten kwam ik, volgens afspraak, op de thee om hierover te praten. Mijn ouders zaten nu klaar voor mijn vragen: “pappa, jij noemde mij altijd begaafd. Zeiden ze dat op het MOB? Daar heb ik mijn leven lang last van gehad: daarom heb ik alsmaar op mijn tenen gelopen”. Hij antwoordde: “Nee, dat vond ik.“ Ik vroeg beide ouders om mij over Henkie’s dood te vertellen. Nou, mijn vader vloog omhoog en schoot de kamer uit! Ik was totaal verbouwereerd, dat had ik nooit verwacht. Dus het was niet máma, maar híj die er niet tegenkon! Ik moest echt even bijkomen van deze ontdekking, daarna draaide ik me weer naar mijn moeder toe en ze vroeg rustig wat ik wilde weten. Haar verhaal was als volgt: mijn broertje lag in Boxtel in het ziekenhuis voor een amandeloperatie, terwijl ik naar Den Bosch het ziekenhuis in moest voor een zware operatie vanwege een dreigende hersenvliesontsteking. Terwijl wij tweetjes begin februari 1953 in het ziekenhuis kwamen, waren ook in Brabant de ziekenhuizen overvol met pa-tiënten. Ze hadden de watersnoodramp in Zeeland overleefd in de nacht naar één februari. Na de amandeloperatie is er controle wegens gevaar van nabloedingen. Bij die extra inzet voor het personeel gebeurde dit bij Henkie te laat en hij kreeg een nabloeding. Meteen werden mijn ouders gebeld: Henkie was al met de ambulance naar Den Bosch. Mama zei dat ze met de taxi naar Den Bosch gingen. Onderweg was er een klapband. Ze zei alleen nog maar: “toen we aankwamen, was hij nog warm”. Dit was de zesde februari, nu hoorde ik haar die datum voor het eerst in mijn leven uitspreken. Ze vertelde niets over de begrafenis en alles er omheen. Alleen vertelde ze, dat ze mij in Den Bosch in het ziekenhuis opzocht na dit alles te hebben doorstaan en een banaan gaf. Nou weet ík nog, dat die dagelijkse banaan voor mij het genot van de dag was! Ook wilde ik altijd de schil maar tot de helft loshebben, peuzelde dan genoeglijk, heel langzaam tot aan de schil, die helft op. Pas dán mocht de hele schil eraf! In ieder geval gaf ze mij die dag in het ziekenhuis ook mijn banaan. Ik at hem toen tot de helft en gaf de andere helft aan haar terug met de woorden: “de rest is voor Henkie”.Tja, daar ontbraken ook mij de woorden, stil bedankte ik haar en verliet de kamer om in de gang mijn jas te pakken. In de gang opende mijn vaders kamerdeur op een kier en siste hij me toe: “als je maar weet, dat ík veel meer pijn heb van Henkie dan jij!” Daarna sloeg hij de deur weer dicht. Toen was ik totaal sprakeloos en stond als aan de grond genageld. Mijn hart vroeg: waarom doe je de deur dan weer dicht papa? Ik ben toch hier. Laten we elkaar dan troosten! Dát was waar ik mijn hele leven al naar verlangde: een samen délen in het verlies. Hij was én uit de kamer weggelopen én nu deed hij weer de deur dicht. Dat was dus zijn taal… Stil verliet ik hun woning. Later sprak ik nog eens met mijn tante, papa’s jongste zusje, hierover en zij vertelde haar ervaring van destijds. Zij was verpleegster en kwam in die dagen als hulp naar Boxtel. Ze vertelde, dat de hele familie kapot was van de dood van hun oudste neefje. Ze beschreef, hoe ik na die operatie nog lang niet gezond was en nog veel pijn had van die hoofdwond. Daarom mijn alsmaar huilen. En tja, ook moest ik ontdekken, dat Henkie alsmaar niet kwam en niemand erover sprak. Mijn verdrietige ouders wendden zich liever tot hun lachende babytje dan tot het huilende Treesje.
En dan nog meermaals met mij op advies van de huisarts naar het MOB in Tilburg te reizen voor onderzoek, waarom ik toch zo veel huilde. Daar ontstond waarschijnlijk mijn label: Treesje is lastig! Als ik dan het lástige kind was, dan was het andere meiske natuurlijk het líeve kind! Tante Joop vertelde, hoe dat kleintje altijd vrolijk straalde. Zo kunnen dus patronen ontstaan én inslijten in een gezin. Ook werd ik sindsdien het oudste kind genoemd, wat dus écht niet klopt: ik ben wel de oudste dochter, maar ik ben het twééde kind! Bij het overlijden van mijn ouders bleef hun oudste kind Henkie ook onvermeld in hun overlijdensadvertenties, dat zegt genoeg!
Het tweede jaar kreeg ik een parttime aanstelling bij een centrum voor basiseducatie voor volwassenen. Nu werkte ik met de buitenlandse vrouwen, wiens kinderen ik op school parttime lesgaf. Wegen te vinden voor ook de analfabeten onder hen vond ik een boeiende opgave. De cirkel sloot zich en ik vond veel voldoening in aanvullende huisbezoeken, daar zag ik hoe het er bij hun thuis aan toe ging. Nu zag ik, hoe meestal hun nationale zender aanstond en ze nauwelijks via televisie, radio of boeken contact en voeding kregen met Nederlandse taal. Dan liet ik maar eens de naam “Sesamstraat” vallen of iets soort-gelijks, wat hun kennis van het Nederlands kon aanvullen. Met de vrouwen mochten we in de bieb onder begeleiding van de bibliothecaresse een afdeling inrichten met boeken in hun eigen taal. Ik ben een groot pleitbezorger van lezen, het spreken komt vanzelf. Ik voel-de me soms meer maatschappelijk werkster dan onderwijzeres. Leuk, mocht ik vroeger toch óók niet worden…?! Via het arbeidsbureau kreeg ik twee parttime jobs buiten Groenlo en startte met de post-HBO opleiding: Remedial Teaching, RT. Daar had ik in Duitsland ook veel baat bij gehad om met zo min mogelijk kinderen te werken, het liefst één op één. Dan kon ik productiever werken aan hun specifieke probleem. Deze opleiding was donder-dagsavonds in Doetinchem. Met een collegaatje reed ik daarheen. We durfden elkaar over onze angst te vertellen: autorijden bij slecht weer, vooral in de winter. Wat te doen bij pech onderweg: onze gekozen route werd nog niet door de ANWB gereden… We volgden de cursus “Pech onderweg voor vrouwen”. In december werd ik ziek na alle inspanningen. Zo volgde het gedenkwaardige jaar 1995. In januari pakte ik mijn RT-opleiding weer op. Eind januari was onze scheiding legaal helemaal afgehandeld. Twintig jaar na ons burgerlijk huwelijk en drie jaar na Rolf’s vertrek uit ons huis. Eerder dan afgesproken, maar mijn man wilde het al persé nu en wie ben ik om andermans geluk in de weg te staan?! Dus liet ik het ook toe. Op school werkte ik weer in februari als Remedial Teacher voor twee ochtenden. De school, waar ik eerder vier middagen per week had gewerkt, had nu geen invaller meer nodig.
Midden februari belde zondagsmorgens Rolf’s oudste broer: Rolf leefde niet meer! On-beschrijflijk, wat ik moest aanhoren! Mijn God… en onze zoon ligt nog in bed, hoe vertel ik hem dit?! In grote zorg belde ik mijn ouders, maar zij konden niet komen nu: “want we zijn nog niet klaar met rusten,” zei mijn moeder. In mijn nood belde ik toen maar de huisarts, die direct kwam. Hij aanhoorde mijn relaas, schoof me over tafel kalmeringsmedicatie toe en gaf me tips, hoe ik mijn zoon deze boodschap moest vertellen. Dit wil je als ouder nooit meemaken! Daarna in Duitsland de begrafenis, waarbij ik de ex–schoonfamilie ontweek: ik was toch al nooit de ideale vrouw geweest en nou dit nog!
Daarna probeer je je plek te vinden in deze omgekiepte wereld. Een totaal verdwaasde periode volgde, alles viel weg: het werken en de opleiding, niets lukte meer. Ik kon het niet meer aan. Eerste tijd geen geld, het duurt bij instituten voor ze zich aanpassen aan situatieveranderingen. Bij mij sterk lijfelijke reacties, maar er hoe dan ook willen zijn voor onze zoon: als zijn vader er niet meer was, zijn moeder zou er wél zijn! Met hulp van het Riagg, een speciale gezinsverzorgster en behoorlijke medicatie voor mij doorstonden we het eerste jaar. Nou ja, ik meer liggend, dat krijg je als je wordt gevloerd en ik belandde in de ziektewet. Ik wilde dat men in Groenlo wist dat mijn veertienjarige zoon zonder vader moest opgroeien. Er volgden drie reacties op onze overlijdensadvertentie in het lokale krantje, die zeventig gulden leende ik van mijn vader. Sprakeloos was ik en voelde me meer dan alleen: verlaten, is dit míjn Groenlo…?! Een zusje logeerde de dagen voor de begrafenis bij ons, er kwam spaarzaam bezoek later af en toe, verder was het stil. Een vroegere cursusdeelnemer was er de eerste tijd onvoorwaardelijk voor me, zíj wist ook wat ellende was: zij kwam uit Iran! Een keiharde wereld, maar gelukkig steunde het Riagg goed, zij hadden de impact wél door. De Sociale Dienst leende geld voor drie maanden: zo konden we de noodzakelijke kosten betalen. Dit geld betaalde ik later terug, toen de financiën op orde waren. Met behulp van vrienden verhuisde Rolf’s boedel naar ons toe: onze zoon was enige erfgenaam. Behalve op de wc stonden Rolf’s spullen overal. Kapot ’s avonds op het ooit echtelijk bed liggend, had ik moeite mijn matras vrij te houden van zijn kleren, waarbij ook versleten ooit al door mij versteld ondergoed. Toen klonk er zoiets als een Duitse boektitel in me: “Was soll ich mit den Unterhosen von meinem Ex?!” wat moet ik met de onderbroeken van mijn ex? Volgens de Duitse wet volgt na scheiding geen enkele vorm van uitkering, wát je ook afspreekt bij de scheiding. Rolf had nooit gewerkt hier in Nederland, dus hier ook geen uitkering. Alleen wezengeld uit Duitsland en de ziekteuitkering van mijn twee ochtenden werk in februari. We leerden na een goed inkomen de lagere financiële zone kennen. Zachtjes, maar bijna onophoudelijk, zeurde er een stemmetje in mijn hoofd: “stom mens, liet je zíjn belang weer voorgaan? Blijf toch eens op je strepen staan; had nou niet toegegeven bij die vervroegde scheiding, dan had je van je leven niet meer hoeven te werken! Als hij net vóór de scheiding gestorven was, dan…” Maar dan was mijn leven waarschijnlijk voorspelbaar saai geworden en dat scheen niet bij mij te passen. Dat ontdekte ik op een harde manier! Mijn leven wordt gekenmerkt door uitdaging, dit blijft herkenbaar. Na enige maanden werd mijn moeder ziek, zij overleed september 1995. Mijn limiet was ruimschoots bereikt: er volgde ruim een jaar ondersteuning door antidepressivum.
Begin 1996 werd ik volledig arbeidsongeschikt verklaard, dus nu zat ik in de WAO! De bedrijfsarts vertelde me, dat ik waarschijnlijk op den duur tussen wal en schip zou geraken, wederom wijze profetische woorden in mijn leven! Ik zou bijna zeggen dat ik “gelukkig” ziek werd door een heftige griep een jaar later. Het was alsof er door de hitte van de hoge koorts van alles wegbrandde in mij. Ik bezon me en ging de antitroep afbouwen. Mijn voeding stelde ik rigoureus om, mijn gewicht was met twintig kilo erbij voor mij te grensoverschrijdend, dat deed gewoon niet goed. Ik beoefende yoga en lette beter op mijn lijf. Door de antidepressivum kon ik goed slapen, maar voelde me als een zombie en had nauwelijks contact met mijn lijf.
Toen ik enige atleten leerde kennen, geschiedde er een wonder! De 46-jarige huisvrouw met overgewicht ging hard(er) lopen en na zes maanden was ik met deze nieuwe aanpak 21 kilo kwijt.
Dit ingrijpende gebeuren ging aan mijn zoon ook niet spoorloos voorbij, maar dat is zijn eigen verhaal. Hij verhuisde voor een andere opleiding. Meteen na de dood van Rolf meende de familie, dat ik het niet aan zou kunnen en dat ik mijn zoon maar naar kostschool moest sturen. Nou mooi niet, na mijn ervaringen zou ik er dwars voor gaan liggen, dát zou hij niet ook nog eventueel mee moeten maken! Tja, met bijna zeventien jaar ging hij dan toch het huis uit. Een nieuwe fase brak aan: ik had gehoord over het “lege nest” syndroom, maar dit nest was totaal leeggeraakt en nou bepaald niet via natuurlijk verloop! Dit was een heel hard gelag, het moeilijkste wat me kon overkomen. Als twaalfjarig meisje mocht ik niet meer bij het gezin horen, zoals mijn vader me destijds vertelde. Als 47-jarige vrouw beleefde ik hetzelfde in een andere vorm: het zelfgestichte gezin was uit elkaar gevallen, terwijl ik het toch zo graag anders en beter had willen doen, was weer alleen. In die eenzaamheid kwam er een bekend persoon op mijn levenspad, met wie ik trouwde. Echter, dit huwelijk duurde niet lang, slechts anderhalf jaar woonden we samen. Ik leerde transcendente meditatie, volgde ook energiecursussen. Al wat ter ontspanning hielp, aan pijnvermindering en stimulering van energie zoog ik in me op. Kort na ons huwelijk verhuisden we binnen Groenlo naar een ander huis, voor ons beiden een nieuwe start. Het was een rustiger buurt en die stap was goed. Nadat mijn tweede man na ruim een jaar verhuisde, ben ik er tot nu toe alleen blijven wonen.
Onverwacht kreeg ik na een paar jaar een nabetaling van Duitsland voor de jaren, waarin ik onze zoon alleen opvoedde! Maar alleen de huur en psychotherapie betalend, slonk dit kapitaal snel. In 2000 heb ik vier maanden nog enkele uren als RT-er aan jong volwassen asielzoekers in het voortgezet onderwijs Nederlands gegeven. Weer bleek ik niet op een continue basis te kunnen werken, verschrikkelijk dit te ervaren. Ik wilde graag, maar kon het niet. Ik snapte het niet! Wel heb ik nog een half jaar tot in de lente van 2001 als vrijwilligster dit werk voortgezet, maar in een vorm die ik kon hanteren. Met getraumatiseerde, opgroeiende vluchtelingen werken vond ik boeiend. Nu ik onder ogen kon zien, dat ik niet in te roosteren was, stopte ik met het onderwijs. Later voltrok zich hetzelfde scenario als vrijwilligster: bij een instituut of een organisatie ingeroosterd ging het niet meer na enige tijd, hoe leuk ik het werk ook vond! Bij moeten functioneerde ikniet meer, ik had me teveel in mijn leven onder druk gezet of laten zetten. Nu werd ook de tweede scheiding officieel. Vroeger schold mijn moeder over het werk op hun boerderij. Ik wilde zélf eens ervaren, hoe het was om koeien te melken! Een half jaar werkte ik op een biologische boerderij. Onder grote hilariteit in een overal gehesen, bleken de koeien machinaal te worden gemolken! Maar ik heb er heerlijk blootsvoets op omgeploegde aarde gelopen, gezaaid, meegeoogst en verkocht op de biologische boerenmarkt. Daar bood ik ook zelftoebereide “vergeten” groentes met recept aan, die vonden gretig aftrek. Na die tijd daar startte ik met psychotherapie. Ik kwam er niet uit, alles zo moeilijk in mijn leven, was ik zo’n slecht mens, ik deed toch zo mijn best, waarom?! Begon ook meer voor mezelf te kiezen, in overdrachtelijke zin maaide ik met een grote zeis om me heen: wie er voor mijn voeten loopt! Ik leerde niet meer de belangen van anderen voor te laten gaan en trok me bewust terug.
Je zou het kunnen vergelijken met het inkapselen in een cocon. Zo kon ik beter op mezelf focussen en had minder afleiding. Natuurlijk speelde het zoeken en verlangen naar de ooit gekende, diepe verbondenheid met mijn overleden broertje steeds mee. Bij elke tegenslag zag ik, dat mijn diepste pijn was om dit te missen. Ik vroeg een specialist of het paste bij die ontwikkelingsfase, dat er destijds met mijn broertje zo’n innige band was, versterkt door de gezinsomstandigheden. Hij beaamde dat. Ook vertelde ik over mijn vele huilen en dat het daarop volgende onderzoek op het MOB geen diagnose opleverde! Zijn commentaar luidde: “U was de enige, die natuurlijk op de omstandigheden reageerde”. Deze zichtswijze zette de thuissituatie wél op zijn kop…! Het voelde ondersteunend. Ook de uitspraak: het gaat niet om wat je meemaakt, maar hoe je er mee omgaat, die hielp!
Mijn relaties leverden commentaar op, maar ze waren niet fout als ervaring, want ik had blijkbaar die lessen te leren en groeide er uiteindelijk aan. Ik benijdde alle relaties waar het wel normaal verliep, van buitenaf gezien dan. Daarnaar verlangde ik ook, maar het lukte nooit óf nog niet?! In een documentaire maakte ik kennis met het begrip: “seriële monogame relaties”. Die informatie was als een thuiskomen, ik herkende me hierin. Ik zag in, dat elke gebeurtenis of ontmoeting zijn eigen betekenis heeft, dat er vaak een diepere of andere betekenis aan ten grondslag ligt, die wij misschien zelfs nooit kunnen bevatten. Dat gaf mij vertrouwen, langzamerhand kon ik me beter overgeven aan het leven. Ik begon eerder grote lijnen te zien, verloor me minder in de tegenvallers. Steeds sneller klom ik uit de slachtofferrol door er een uitdaging in te zien, dán voelde ik me intens levendig! Ook ontdekte ik de waarde van het me terugtrekken en rust zoeken, van daaruit kon inzicht en ook creativiteit ontstaan. Mijn balans vond ik door het innerlijk doorleefde ook uiterlijk vorm te geven. Een vorm van genade gaf het inzicht, dat ik het gevoelde “niet oké” zijn mocht loslaten. Dit gevoel ontstond uit bejegening door mensen die zich “wél zwaar oké” vonden. Diep in mij wist ik, dat het universum, God, mij precies zó bedoelde zoals ik was. Zó en niet anders! Dus wie mij niet goed genoeg vond, zondigde eigenlijk tegen de enorme en prachtige natuurwet! Dit liet mij écht opstaan uit mijn ellende: mijn minieme gevoel van zelfwaarde, altijd had ik die ánderen toch geloofd…
Eind 2001 was het kapitaal “opgegeten”, zoals men dat pleegt te noemen en ik belandde na duchtige controle bij de Sociale Dienst. Naast mijn WAO kreeg ik een aanvullende uitkering. Het strookt niet met degene die ik ben: afhankelijk zijn van instituten waar ik steeds rekenschap moet afleggen, ik moest me echter buigen voor de realiteit. Daar leerde ik feedback geven na het jaarlijkse onderzoek. Na enige tijd vertelde ik, hoe ingrijpend dit voor me was. Vaak was ik daarna ziek: elk jaar je verhaal opnieuw vertellen, als volwassene zelfs je portemonnee openen onder hun neus. Dit, nadat ik alle kopieën had getoond over mijn financiële situatie, vernederend! Aan de telefoon reageerden instanties met: “mevrouw, zo’n verhaal hebben we nog nooit gehoord!” Gemakkelijk was en is het nooit om over mijn leven te vertellen, hoe boeiend dat blijkbaar is voor de ander. Ooit hoorde ik, dat ik “de rozijn in de pap” was, vergeleken bij andere cliënten! Moeilijk verteerbaar, het is wel míjn geleden pijn die hen zo boeit. Ik ben niet hun entertainmentfactor! Mijn kwetsbaarheid tonen had een onverwachte uitwerking: de ambtenaren legden soms hun schild af, toonden zich als mens. Zo hoorde ik, dat zij het ook wel eens moeilijkheden hadden bij het toepassen van de opgelegde regels.
Dan ontstond er een soort evenwicht tussen ons, we waren even medemensen. De angst voor het machtsinstituut met zijn regelingen kon zo veranderen in een helende ontmoeting, de martelende macht verloor dan wat van zijn kracht!
Steeds meer ontdekte ik, dat ik lichamelijk nooit tot het uiterste ging. Alsof ik voelde dat er diep in mij zaken lagen opgeslagen, waar ik maar beter niet aan kon komen. Als mijn hart snel zou slaan, kon ik de controle wel eens over deze rem verliezen: wat zou er dan naar bovenkomen! Ik koos voor bewegingsvormen, waarbij ik nooit tot de grens hoefde te gaan. Iets in mij moest blijkbaar nog steeds verstopt blijven. Met mijn chronische rugklachten voelde ik me heel erg thuis bij Tai Chi: rug bleef recht, alles in slow motion en meditatief. Na enige jaren durfde ik verder te gaan en beoefende drie jaar lang yoga. Confronterend, maar goed gesteund durfde ik me over te geven tot ik de grens voelde. Daarna zocht ik weer de koorzang op en ontdekte hoe lichamelijk zang is! Je lichaamsinzet geeft je stem jouw klank en kun je pulseren van leven.
Ondertussen kon ik sinds een paar jaar weer zijdeschilderen, daarbij kon ik me uitdrukken in kleuren en vormen. In de tien jaar daarvoor was ik te druk met overleven, dan is er geen energie over voor creativiteit. Wel fotografeerde ik in de tussentijd om mijn “oog,” het zien, te oefenen. Ook mandalacursussen hielpen wat, maar het echte werk bleek nog tijd nodig te hebben. Heerlijk was het, toen het met de zijde weer lukte! Het hoofdelement van zijde is stroming en al wat ik uit me stromen liet verrichtte wonderen. Er ontwaakte speelsheid en een naar hartenlust experimenteren. Met piano en zang liet ik het klinken. In 2004 werd ik voor de hoge sopraanstem in een vrouwenkoor gevraagd. Daar zei ik eerlijk, hoe intens moeilijk ik het vond om op te treden, daar zaten de vrouwen gelukkig niet mee. Na een kleine uitkering van een stopgezette verzekering nam ik tien zanglessen bij een zang-pedagoog: een wereld ging open! Weer meezingen daar in zijn vrouwenkoortje. Intens verdriet bij het afscheid na de tien zanglessen, het paste niet om te stoppen met dat leerproces: het “leerde” vaak beter dan psychotherapie! Na drie jaar wisselde ik in 2007 van koor en zocht weer een gemengd koor, wilde meer leren. In het Achterhoeks Bachkoor voelde ik me thuis en ja, daar heb ik geleerd! Zij ook van mij…? Bij een gezellige avond mocht ik ook iets zingen, graag de aria “Jerusalem”. Die vond ik nou niet echt gezéllig! Ik verraste het koor met mijn vertolking van het lied van Annie M. G. Schmidt: “Prinsesje Tierlantijn”, het kwam goed aan! Mijn speelse aanpak bij dit optreden veroorzaakte alleen maar “normale” zenuwen, wat een ontdekking! Ik had mezelf ook beloofd: als het te moeilijk is dan doe je het gewoon niet, het is toch geen officieel concert! Is speelsheid en ongedwongenheid dan mijn uitweg uit die verkramping?!
Bij een tandartsbezoek beleefde ik iets heel bijzonders. Nou was een bezoek bij mensen, die met mijn hoofd bezig waren al van jongs af met angst beladen: kapper, tandarts en HNO arts. Tijdens de behandeling was verdoving noodzakelijk en ik kreeg een speciale verdoving, de normale verdroeg ik niet. Dit soort gaf het gevoel alsof mijn keel “dichtgroeide”, een stikken. In paniek vloog ik de stoel uit, zocht steun bij de muur, voelend… ja, toen wist ik het! De angst kwam uit een vroegere tijd: mijn hoofdoperatie en de amandeloperatie, waar mijn broertje door een nabloeding in zijn eigen bloed stikte. Alles had met “hoofd” te maken, ik associeerde dat blijkbaar met zijn dood.
Nu kwam ik in de buurt van het gevoel: zó is het, als je stikt! De tandarts en assistente keken me met grote ogen aan, toen ik na deze ontdekking in een huilbui uitbarstte. Ze wachtten rustig af, dat was fijn. Daarna kon ik vertellen over mijn ontdekking na deze er-varing. Het contact verbeterde sindsdien hierdoor en ik kon nu mijn angst meer omarmen.
Het jaar 2006 werd mijn zoekende jaar: qua bevrijding vond ik respons, herkenning en verlichting van klachten bij een hoog gekwalificeerd persoon in Ruurlo, hij werkt met adem en klank. Een bijzondere ervaring om die natuurlijke krachten in te zetten! Qua werk, wist ik niet hoe en wat: die Qual der Wahl. Ik vond zoveel interessant, maar kon niet kiezen! Wel wist ik, dat ik in mijn werk “Aandacht en Liefde” zocht vorm te geven. In deze jachtige maatschappij zag ik, hoe er steeds meer behoefte aan kwam: essentieel doch schaars. En mooi was de verbinding van de initialen: A + L = AL. Alles, de eenheid die we uiteindelijk nastreven, zit erin! Hoe dit vorm te geven, wist ik niet. Bij het UWV wist men mij niet te plaatsen. Wordt wakker, ik heb wat te bieden! Na lang aandringen kwam er een “reïntegrator”, mijn taalvariatie op de term “terminator”. Bij de kennismaking heb ik direct verteld dat ik niet bleek in te roosteren en dus geen werknemer kon zijn. Na de test werd ik een star-tende zelfstandige en werd de wereld ingestuurd om naar afzetmogelijkheden voor mijn zijdewerk te zoeken. De reïntegrator was er lyrisch over en wilde mij daarmee op de kaart zetten. Griezelig was het om mijn producten, geboren uit mijn innerlijk, aan de wereld te tonen. Tot mijn verbazing en schrik wilde een Chinese couturier met mij in zee gaan! Wat wist ik nou van het bedrijfsleven?! Na intensieve oriëntatie, schreef ik me in maart 2007 bij de Kamer van Koophandel in, firmanaam “Colour Swing”, als kunstenaar geregistreerd, was even wennen. De eenmalige samenwerking had een bijzonder resultaat: het zomerjurkje, waarin tien meter beschilderde zijde verwerkt zat, droeg de vlammende naam “Flamenco”. Het werd verkocht aan China voor de Miss Worldverkiezing. Toen de creatie in een modeshow getoond werd, was ik in tranen en had kippenvel! Nu een andere basis zien te vinden voor mijn bedrijfje. Een extra doel was het onafhankelijk worden van de aanvullende uitkering van de Sociale Dienst. En bijles bedrijfseconomie, netwerken, pro-moten, digitale media… Wezensvreemd, maar noodzakelijk! In het najaar stond mijn web-site op het internet. Ik was geen gemakkelijke klant voor de computermevrouw: ik wist precies, hoe ik het er uit wilde laten zien maar ja, voor de techniek had ik haar nodig. Pre-sentatie met een eigen huisstijl: logo, visitekaartjes en later volgden er brochures en pos-ters. Steeds preekte de reïntegrator: “je hebt een exclusief product, dus presenteer in ex-clusieve kwaliteit”. Tja, zo leer je ook nog om te goochelen met weinig geld! Van mond tot mond reclame vind ik het waardevolst, maar zo denkt de economie er niet over. Het mee-doen van hun aanpak kostte handenvol geld, dus goed verdienen, anders was dit een korte episode. Bij de buitenlandse groothandel bestudeerde ik hun website en leerde veel warenkennis. Nu internationaal internetbankieren. Een zakelijke factuur opstellen met je huisstijl. Geld voor computercursussen had ik niet, ik vroeg maar deze en gene om raad. Het ambacht zijdeschilderen zelf: eerst was ik heiliger dan heilig en werkte alleen met honderd procent pure zijde. Een jaar later ontdekte ik het werken met gemengde stoffen. Er was zijde met viscose, wol, katoen, hennep, linnen en nylon. Andere verfsoorten, verwerkingsprocedure, bestelkeuze en uitproberen. Spannend: welk eindresultaat komt er tevoorschijn?! Een goede verkoopster was ik niet, wel een goede inkoopster en ambachts-vrouw! Ik voel de markt aan met toekomstige ontwikkelingen:
de ontwerpen lopen voor op de modetrend. De zijde heeft het laatste woord bij het verfen, dit liet mij het “loslaten” ervaren. Hooguit tweederde bepaal ik, de zijde neemt éénderde over. Subliem resultaat als ik zijde zijn eigenschappen liet gebruiken. Ik nam mezelf terug en gaf het materiaal alle ruimte en tijd. Scheppend bezig zijn met “laat gebeuren” was symbolisch voor mijn plek, die ik in de wereld en het leven ben gaan innemen. Het toont: in hoeverre bepaal ik nog en in hoeverre durf ik me terug te nemen? Moeilijk, een deel níet te beschilderen. Geen “veilig volkleuren” kostte beheersing, het gaf spanning. Dit werkte door op het doek, ik leerde het uit te houden en later te gebruiken. Dit gevoel van “het wringt” herkende ik ook in mijn leven, het bleek de kunst om dit te durven voelen, niets te doen, het er te laten zijn. Onderhuidse emoties in mijzelf kon ik meer boven water krijgen. De couturier ontdekte snel, dat ik emo-ties onderdrukte: “ik moet je vaker kwaad maken, dan maak je de beste dingen!” Nooit maak ik hetzelfde opnieuw: oninteressant, geen uitdaging, ben geen reproductiemachine. Werken met meerdere verflagen laat het leven. Dat correspondeert met ons als mens, wij bestaan ook uit meerdere lagen. Mensen die hun oppervlakkige eerste laag tonen, boeien mij niet. Je echtheid en veelheid tonen, dan toon je eigenheid, je leeft! De boekhouding hoorde erbij, dat deed ook goed het zo zwart op wit te zien. Ik ben trots op alles wat ik zo leerde. Hoe het zakelijk gezien ook zou uitpakken, deze ervaring neemt me niemand meer af! Bij enige gelegenheden kon ik mijn producten tonen; er was veel interesse merkte ik. Soms was er een aankoop, dat was ook nodig. Het kazuifel baarde opzien: privé aanvraag van de pastoor hier. Bespreken, meten, het vervaardigen, het samenstellen van het kazuifel. Dit was een bijna architecturaal bezig zijn. In zeven parochies droeg hij zijn kazuifel voor de Advents- en Vastentijd. Allerhande reacties volgden, ik werd er zelfs op aangevallen: of dat wel kerkelijke kleuren waren, of de pastoor wel wist, dat ik zijn kazuifel op een tentoonstelling toonde?! Ja, maar de hoofdzaak vond ik dat het de opdrachtgever beviel én dat het wat losmaakte bij mensen, beiden bleek het geval. In 2008 was er een begin van de economische crisis. Nou valt het product van mijn metier bepaald niet onder de meest existentiële noodzakelijkheden. Het resulteerde in een vermindering van aankopen, terwijl uitgaven hetzelfde bleven. Ter voorkoming van schulden en faillissement besloot ik eind 2009 mijn bedrijf bij de KvK af te melden. De reacties varieerden van: “mislukking” tot “goede zakenvrouw die op tijd stopt!” Persoonlijk vond ik het moeilijk, dat ik mijn doel van onafhankelijkheid van de Sociale Dienst niet bereikte. Maar ik had veel inzet getoond om dit doel te bereiken!
In 2009 belandde ik na een heftige privésituatie op advies van de huisarts bij een psychologe. Daar deed ik een PTSS test, Post Traumatische Stress Syndroom, en werd met meerdere EMDR sessies behandeld. ACT, Acceptance en Committment Therapy volgde. Heel dankbaar ben ik voor haar opmerking: “kun je dit nu ook liefdevol voor jezelf doen?” Hé?! Dat kende ik niet, nu pakte ik mijn oefenmomenten. Zo gingen we het jaar 2010 in. Privé zwaar, maar ik sloeg me er doorheen met “my way of living”. Begin december 2011 sprak ik haar erop aan, dat ik steeds iets in me voelde drukken, maar er niet bij kon komen. We spraken af om begin januari 2012 een dubbele sessie hiervoor te gebruiken. Toen het tijdstip van de afspraak naderde wist ik de reden, zie onderstaand. Kort voor onze afspraak werd ik zó ziek, dat ik wist: ik heb tijd nodig voordat ik hierover kan praten. We hebben elkaar nooit meer gezien, zij was langer ziek. Maar mijn systeem had het goed aangevoeld: die weggestopte druk!
In 2011 was er een heftig onweer gaande, maar dat had ik met al mijn weersgevoeligheid niet in de gaten. Ik hoorde berichten over de Commissie Deetman, wat moest ik daarmee? Ik was geen jongen. Bij de kerk voelde het soms moeilijk maar ik wist niet waarom. Soms keek ik naar een documentaire hierover, maar dat was om op de hoogte te zijn. Achttien december zondagsavonds was er een documentaire van Kruispunt over het net uitgekomen Rapport over het Kerkelijk Kindermisbruik bij jongens. Ik zag de vooraankondiging: een vrouw erbij…?! Nu bleef ik kijken, plotsklaps veranderde mijn wereld. Voornoemde vrouw kreeg een naam en verhaal: Annemie Knibbe bezocht haar vroegere internaat in Venray. Toen ze langs een muur liep met scherven er bovenop, zag ik het! Dat was als míjn muur op het Groenlose internaat, alleen zat er in Groenlo ook prikkeldraad bovenop. Na vijftig jaar vloog de deksel van de beerput eraf en daar zat ik: half twaalf zondagavond en ik ontplofte! Mijn bloed raasde als lava door de aderen, ik stond in brand en had zo’n enorme woede. Ik wist niet, dat ik zo woedend kon worden! Ik wist me nauwelijks raad, maar ik kon toch niet zo maar iemand zo laat bellen en hiermee overvallen! Uiteindelijk heb ik haar gemaild, intense emoties kolkten eruit: woorden stroomden uit mijn vingers op het toetsenbord. Tot mijn verbazing was ik al bezig een verhaal te vertellen, dat was ik niet van plan geweest, maar het liet zich niet tegenhouden. Om half twee remde ik me af en zwalkte naar bed, eerst maar even afstand nemen. De volgende dag zag ik een hartverwarmende reactie via de mail. Zij bleek eyeopener, lotgenote en eerst ook mijn opvang. Wat er ook gebeurde, ik begon nu mijn mond te openen en de wereld, althans sommige medeburgers, erover te vertellen. Nooit eerder gedaan! Ik werd overvallen door nachtmerries, gierende huilbuien, mijn wereld stond op zijn kop. Opduikende herinneringen, herbeleving van momenten waarvan ik me al die tijd sussend had wijsgemaakt, dat het nou eenmaal zo was. Interesseerde toch ook niemand, het was toch normaal, dat had je toch gewoon uit te houden?! Eindelijk stond ik mezelf toe de echte getroffenheid toe te laten, naar boven te laten komen, het nu uit te leven. Ik wist dat dit de enige weg naar mijn bevrijding was. Ondanks vertwijfeld zoeken naar adequate begeleiding vond ik die niet, die eerste tijd. Mijn vertrouwde psychologe was nog ziek en ik deed het op de mij bekende manier: alleen. Maar nu met compassie en innerlijk omarmen van mezelf! Langzamerhand sijpelde het inzicht in me door: dáárom maakte ik destijds dus die en die keuzes! Steeds meer zag ik de impact en dat was knalhard, dat onder ogen te zien! Ook zag ik de samenhang van het ziek worden voor de concerten met het misbruik. Ik doe toch niets liever dan zingen. Vooral samenzingen is voor mij iets zo universeels, natuurlijks, alles in mij “weet” dat het zo bedoeld is. En dát zou ik moeten stoppen?! Ik heb zo ontzettend gehuild, die pijn gun ik niemand; maar ik vond geen andere uitweg dan te stoppen bij het koor. Innerlijk wist ik dat het niet klopte, maar zoals ik functioneer, daarvoor kende ik geen koor. Nauwelijks zelf bevattend hoe het allemaal in elkaar zat, meldde ik me bij het bestuur af. Waarom ik vaker ziek was bij concerten en me nu afmeldde, vroeg men. Ik kon de juiste woorden niet vinden, was nog te geraakt. Men vroeg of ik mee trakteerde bij het afscheid met anderen die ook gingen? Kon ik niet, ik had niets te vieren, integendeel. Ik kon dit het koor nog niet vertellen. Uitleggen en alsmaar hapklare brokjes te moeten serveren, dat was ik beu! Ik merkte, dat mijn lijf de regie weer overnam na die emotionele achterbaan. Na de ontdekking en het daarop volgende afscheid bij het koor mijn lijf soms spontaan te bloeden.
Ter controle naar de gynaecologe voor onderzoek. Er volgde een ingreep onder volledige narcose. Geweldig, mijn lijf had al zoveel chemische troep geïncasseerd! Vol angst het ziekenhuis in: door oude ervaringen is er de associatie met dood. Ondanks een lieve begeleidster weer dreigende complicaties. Die avond was ik twee uur na het bijkomen uit de narcose weer thuis. De uitslag toonde: geen kanker, alles in orde, geen medische oorzaak voor de bloedingen. Herkenning: weer een uitlaatklep voor mijn systeem! Emotionele overdruk, lichamelijke ontlading. Ik leerde dit toe te laten na herkenning, het me maar niet kwalijk te nemen en me te omarmen, daar schreeuwt mijn systeem dan om! Wel is het altijd weer moeizaam om met de reactie van de omgeving om te gaan: je hebt dus niets? Puur lichamelijk niet, er is echter wel degelijk wat aan de hand! Ik ervoer over CELEVT: Centrum voor late effecten van vroegtijdige chronische traumatisering. Ik maakte kennis met hun website, een feest der herkenning! De ACE Study, Adverse Childhood Experiences, werd mijn openbaring: het was wetenschappelijk bewezen hoe indringend late gevolgen van vroege traumatisering in je leven kunnen zijn! Ik las, hoe natuurlijk ik reageer: een thuiskomen, erkennen, troost! Langzaam drong het tot me door en droeg verder bij tot innerlijke acceptatie. Het was alsof ik diverse niveaus moest doorlopen en daarbij afdalen om bij de diepste laag in mijzelf te komen om daar het echte accepteren én liefhebben van mij te kunnen aangaan. Een nieuwe verbintenis met mezelf aangaan, als trouwen mét en trouw blijven áán mezelf, wát er ook over mij gezegd wordt! Er ontstond een nieuw fundament. Diep in mezelf wist ik, dat ik niet zo slecht kón zijn als anderen mij vertelden! Na al die jaren, was het een wankele start me op dat nieuwe level, gericht op mijn binnenste bron, te bewegen en daar op te vertrouwen! Dit prille plantje moest ik voeden, verzorgen, behoeden. Ondertussen gingen de aanvallen van buitenaf verder. Net na de operatie hoorde ik van de noodzakelijke melding voor één juli 2012 bij de Onderzoekscommissie Deetman twee, voor de méisjes, met het geleden misbruik. Ik schrok: ik was nog zo slap, dus moest ik extra goed voor mezelf zorgen om op tijd de melding af te leveren! Midden juni begon ik met de formulering van de melding. Bij het beschrijven van mijn ervaringen, merkte ik al snel dat ik het niet aankon. Ik struikelde alsmaar over blokkades! Bij een telefoontje vertelde ik Annemie hierover, ze nam telefonisch de punten door met mij. Ze zei: “wat je net zei, dat maakt het zo duidelijk, schrijf dat maar op.” Verschrikt zei ik: “ik weet echt niet meer wat ik net zei, kun jij het reproduceren?” Raar, maar ik merkte iedere keer dat mijn woorden als het ware in een diepe afgrond binnenin mij vielen en dan kon ik er niet meer bij! Machteloosheid overviel me dan. Op het laatst ging het erg slecht met me. Maar ik hoorde, dat ik de melding ook na één juli kon indienen. Nooit gedacht, hoe moeizaam en enorm aangrijpend het zou zijn om dit zo lang weggestopte verhaal uit die tijd uit mij te krijgen! Er waren ook delen weg, daar kon ik niet meer bijkomen. Nadat ik met veel moeite de melding klaar had diende ik hem eind augustus, voor mijn verjaardag, in: fris mijn nieuwe levensjaar in! Ik verwachtte me nu beter en trots te voelen na de klus, maar dat was niet zo. Gekweld door “oude” stemmen: wat heb je nu gedaan, lastig kind, maak je weer kabaal, dat heb je al zo lang uitgehouden dat kon toch nog wel langer, denk toch aan die oude nonnen. Na mijn melding ging ik onderuit in september. Tegen de oude code gezondigd: “sst, niets van vertellen”! Het was als zondigen tegen alles waarmee ik had geleefd tot nu toe, een meer dan morele kater… Mijn bloedsuiker jodelde de pan uit.
Ik moest nu beginnen met insuline spuiten: maar dat was me teveel stress erbij, kon ik niet. Mijn bloeddruk zweefde mee daarboven in de hogere regionen. Uitputting na deze paleisrevolutie, zo’n heftige reactie had ik niet verwacht! De huisarts adviseerde me, wel verhoogde ik de diabetes- en kalmeringsmedicatie, maar kon niets met zijn andere advies. Het goedbedoelde voorstel leidde af van wat ik echt als nodig voelde. Ik vroeg hem mij de tijd te geven een alternatief vangnet op te bouwen. En zo vond ik wegen, waar ik me thuisvoelde en goed werd begeleid: de haptonomietherapeut hielp me mijn lijf te laten spreken en zich zo te bevrijden van de al te lang opgeslagen, vroegere ervaringen en ze lós te laten! Als resultaat na de eerste zitting een enorme pijn, gekoppeld aan de ervaring bij de zusterbeul. Zoals mijn lijf het ervaren en dus opgeslagen had, zo volgde de weergave: het schavot en haar ogen waren daarbij het laatste wat ik zag, zij hanteerde zoiets als een bijl boven mijn nek. Vijf dagen én nachten ongekende nek- en schouderpijn! Een vriendin hielp me na een paar dagen. Dit trok ik niet meer alleen. Ze legde haar hand op mijn intensiefste pijnplek, daarna kon ik niet meer bewegen van de pijn. Kon alleen nog maar stil op de stoel blijven zitten, afwachten tot mijn lijf weer meedeed. Ze vertrok; mijn fiets, die klaarstond voor fysiosport ’s avonds, bleef afgesloten bij de voordeur staan. Mijn enige zorg was hoe ik nu de trap op en het bed in kon komen. Een genezingscrisis, herkenbaar, maar wel op het randje van wat draaglijk is. ‘s Morgens werd ik wakker, verlost van alle pijn, wonderbaarlijk! In de namiddag zag ik, dat de, voor mijn rug speciale, fiets was gestolen! Via de huisarts leerde ik een Praktijk Ondersteuner kennen, zodat ik de zieke psychologe deels kon vervangen. De thuiszorg versterkte zijn inzet. Een pastor, therapeut en ervaren in de begeleiding van misbruikslachtoffers, steunde en adviseerde bij het doorstaan van dit traject. Ik zocht én vond ik een “mevrouw voor leuke dingen”, die kant van mijzelf was onderhand aardig verkommerd. Keihard werken kon ik goed, maar mijn lichte en luchtige kant uitleven ging niet alleen en met een ander samen wel. De gynaecologe bevestigde en steunde me onvoorwaardelijk, ze kende dit wetenschappelijk bewezen fenomeen. Herhaaldelijke testen na de operatie toonden, dat de vaker optredende bloedingen geen fysieke oorzaak hadden. Wat een ontdekking, ik zou bijna dankbaar worden voor het traject waar ik doorheen ging! Bij deze mensen voelde ik me geaccepteerd. Zij lieten me in mijn waarde, ik mocht zijn wie ik was of het nu goed of slecht met me ging. En ja, gaandeweg dit traject groeide mijn dankbaarheid voor dit weliswaar erg zware proces: maar ik voelde me zo levendig worden als nog nooit in mijn leven!
Graag vertel ik over een huiswerkopdracht. Het viel me ondertussen bij contacten op, dat ik positieve opmerkingen niet kon vasthouden. Het negatieve leverde geen problemen op, was ik gewend en kon ik zo reproduceren! Bij positief commentaar was het alsof ik aan de voorkant van mijn lijf een trechter had: wijd open van boven, bij de schouders beginnend en naar de onderbuik toe smal uitlopend. Daar vielen pósitieve zaken dan in, ik kon er niet meer bijkomen, als bij een ravijn. Ook het me eraan herinneren ging absoluut niet! Toen ik dat aangaf in contacten, gaven mensen me feedback: “Trees, dit is positief, merk je dat?!” Rennen om dat op te schrijven, anders was ik het weer kwijt! De pastor maakte het tot concreet huiswerk: koop post-it papiertjes. Die had ik nodig om mijn positieve kanten op te schrijven samen met de onderhand éigen negatieve gedachten. Die papiertjes moest ik ergens opplakken, zodat ik het elke dag kon zien.
Ik koos de trapkastdeur, de papiertjes met de donkere kanten aan de binnenkant: als ik de deur sloot, was het daar passend donker! “The bright side” mocht in het licht aan de buitenkant van de deur. Nog nooit heb ik zoveel vastberaden stappen naar die deur toe gezien van bezoek, dat de kamer binnenkwam! Een enkele vermetele onder hen opende, zonder even te vragen, de deur om de andere, donkere kant te bekijken. Moeilijk vond ik dat maar heb het niet verboden, wel kneep het dan binnenin me. Sommigen werden zelf actief, ze vroegen een papiertje: hún waargenomen positieve zaken opschrijven! Dat liet ik graag toe en vond het interessant om te zien wat hen in mij opviel, wel vroeg ik om hun naam erbij te zetten. Er heerste algemene teleurstelling, toen ik later de papiertjes verwijderde. Mijn hint dat misschien thuis zélf ook eens te doen droeg geen vrucht, voor zover ik weet.
Om gevoelens van ook woede uit te drukken werkte ik op zijde met deels knalrode verf (bloed onder de nagels weghalen), dit werd vermengd met in een zoutoplossing voorbewerkte zijde (zout in de wonden strooien). Geleidelijkaan begonnen er in alle teerheid nuanceringen te ontstaan. En dan toch steeds weer inktzwarte strepen, die afblokten. Met gestadig doorwerken, kon er mildheid en zelfs wat luchtigheid ontstaan. Ik verbaasde me erover wat er uit me kwam, maar dacht niet na en vertrouwde op mijn intuïtie. Met muziek trachtte ik door middel van klanken mijn systeem meer in evenwicht te krijgen. Het resoneerde tot in mijn moleculen, waarin de pijn geprint lag en ik was wel aan een herprogrammering toe! Als ik op het punt stond om in te storten zette ik snel een CD op, greep mijn partituur en zong! Alsof het onderuit mijn tenen kwam, dán voelde ik weer dat ik leefde, dat ik er mocht zijn. Mijn stem liet me horen, dat ik ertoe deed.
Maart 2013 ging ik naar Utrecht voor de rapportage van Onderzoekscommissie Deetman twee. Ook zou het rapport als boek aan ons overhandigd worden. Het was noodzakelijk om na de schríftelijke melding me ook nog lichámelijk te melden: mijzelf te tónen aan de wereld! Kapot was ik na onder andere de mededeling van de heer Deetman dat de meldingen, die na één juli verleden jaar ingediend waren, niet meer bestudeerd “hoefden” te worden. Ze hadden genoeg gehad aan de meldingen van vóór een juli. Nu lagen ze opgeslagen in, voor mij, een soort catacombe. En daar had ik nou zo’n moeite voor gedaan! Op de terugweg lag ik alleen nog maar plat op de achterbank en liet me door de auto wiegen. Al mijn energie was op, wat een kruisgang was dit! Toch deed deze stap me uiteindelijk goed: ik durfde me te tonen aan de wereld en verstopte me niet meer.
In de loop van 2013 werd duidelijk dat twee bekende schrijfsters, Daniëlle Hermans en Esther Verhoef, een boek gingen schrijven over kerkelijk misbruik bij meisjes. Hún moeders hadden destijds al daaronder geleden. Ook ik werd gevraagd om een interview, dat zou dan in het boek verwerkt worden. Graag liet ik door hen mijn verhaal opschrijven. Op het laatst hoorde ik, dat alléén het internaatverhaal mocht worden verteld. Dit verscheurde mij, juist door het voorafgaande had het optreden van Soeur Cathérine nóg meer schade en impact later bij mij. Na overleg vonden we een oplossing. Annemie kwam herfst 2013 naar mij toe en we namen mijn verhaal op tape op, ze werkte het later uit. Bijzonder, nog nooit had ik alles achter elkaar kunnen vertellen. Na vele uren vertellen vroeg ik: “mag ik nu zingen?” En ik zong de rest eruit.
Ons gesprek is beland bij de afdeling Oral History van de UvA. Daar zijn dit soort verhalen wél onbevangen welkom! Dit beweer ik als tegenpool na de kritische houding van kerkelijke instanties.
Voorjaar 2014 ontstond inzicht in de wérkelijke oorzaak van mijn niet meer kunnen optreden bij concerten. Dit inzicht drukte al langer in mij, maar ik kon er niet écht bij komen. Twee jaar na het stoppen bij het koor begreep ik nog steeds niet, wat er toch werkelijk aan de hand was. Maar ja, als je het al verkrijgt, dan komt de genade van het inzicht meestal enige tijd later! Ik was blijkbaar destijds op het pensionaat dusdanig door Cathérine “bewerkt” met haar overtuiging dat ik geen bestaansrecht had, dat ik er daarna zelf ook in geloofde. Zij zag als enige “verlos”mogelijkheid, dat ik mij altijd verplichtte tot optreden in solo-activiteiten op vooral hun gezellige avonden. Mijn inzet kon in welke vorm dan ook bestaan. Soeur Joanna vertelde me onder grootste geheimhouding haar wereldlijke naam. Dit was nodig voor een speciale opdracht voor haar, daarover mocht ik ook niet praten; dit weten voelde als misplaatst en erg belastend! Na mijn inzicht kon ik alleen maar begrip en mededogen voelen voor mijn angsten, pover gevoel van zelfwaarde en de algehele impact. Ik kon nooit uitleggen wat er met mij aan de hand was. Maar nu zag ik het, het is héél wat anders dan de “als normaal ervaren zenuwen”:
als jij jouw optreden gekoppeld ervaart als zijnde én jouw excuus én gelijktijdige rechtvaardiging voor jouw bestaan,
Binnenkort werd het boek “Stil in mij” gepubliceerd. Ik voelde, dat ik nog iets te zeggen had tegen de schrijfsters. Dit deed ik:
Dag Daniëlle, mei 2014
voor het volgende week te presenteren boek “Stil in mij” – overleven bij nonnen, zou ik jou eerst ook mijn verhaal vertellen. Dit ging niet door. Het bleek essentieel, dat alléén kostschooljaren werden vermeld. Voor mij was er al een tijd daarvóór, juist daarom vond de beul op mijn pensionaat bij mij een voorbereid veld. Daar kon ze prima en naar hartenlust zaaien. Na het zaaien en onderhouden kun je op een goed voorbereid veld na bepaalde rijptijd oogsten. Over dat “oogsttraject” wilde ik je iets vertellen. Door de media-aandacht voor sexueel misbruik bij jongens werd ik met mijn verleden geconfronteerd, ik had grote behoefte het zwijgen na vijftig jaar te doorbreken. Bij het verwoorden van mijn verhaal voor de Onderzoekscommissie Deetman twee in 2012, bleek het meest aangrijpende voor mij het vermelden van de impact op mijn latere leven. En nóg ontdek ik en schrik ik van de gevolgen van het met volle inzet zaaien door de beul destijds, alsof haar leven ervan afhing! Juist nu, in de week voor het aan de wereld tonen van jullie boek, voel ik de noodzaak te zeggen, dat na die kostschooljaren het grote ERNA begon, beschadigd tot in het merg en alles maar wegstoppen. Vraag niet hoe dat uiteindelijk onder andere mijn latere keuzes bepaalde! Of misschien: “vraag juist wél hoe!” Het overleven beperkte zich niet tot de nonnen, daarna kwam de vuurproef in het “echte” leven. En nog geldt dat: steeds weer opnieuw zien te overleven en een voor mij enigszins begaanbare weg zien te vinden in een wereld, die hier niets van begrijpt, maar wel te graag veroordeelt. Dit moet ik uitspreken vanuit mijn diepste zijn. Jullie kozen voor deze vorm van verhaallijn.
Mijn respect en dank, dat jullie dit initiatief namen. Het nog niet benoemde, de impact op je verdere leven hoort hier wel onlosmakelijk bij. Dit wil ik tenminste nu en hier uitspreken. Dit verdient eenieder die dit zware lot kent. Ik ben jullie heel dankbaar dat er mede door dit boek meer openheid komt voor dit thema. Er staat nog veel te openbaren, hopelijk komen er bewustwordingsprocessen op gang. Maar ook topjes van ijsbergen tonen, dat er een ijsberg is. Met een open hart kunnen er wonderen gebeuren! – Lotgenote Trees
Als innerlijk zwaar beschadigd wezen beland je daarna in een wereld, die weliswaar niets over je weet, maar je genadeloos meent te mogen veroordelen op je soms moeilijk functioneren. Zelf wist ik niet eens hoe het allemaal in elkaar zat. Ik kon het ook niet uitleggen: vijftig jaar lang was ik dichtgeklapt over die tijd. Interessant vond ik de reactie van een vriendin, die me van dichtbij volgde en steunde. Ze vertelde, dat ze moeite had met de uitdrukking “slachtoffer”. Bij het eten thuis met haar gezin werd hier uitgebreid over gesproken. Uiteindelijk werd er een woordenboek gepakt om te zien hoe dit begrip omschreven werd: ”iemand die het offer is van de belangen van een ander, iemand die het moet ontgelden, lijden”. Ik maakte haar duidelijk, dat ik destijds in die situatie op het pensionaat een slachtoffer was. Ja passief, want ik wist niet hoe te reageren op die overweldigende macht. Echter nú voelde ik mij niet meer passief en geen slachtoffer meer: nu werk ik er op allerlei manieren mee. De Chinese vertaling luidt: “hij, die met de schade moet leven.”
Geleidelijkaan voelde ik, dat er één bepaalde deur dicht bleef in mij. Ik “zag” als het ware de deur waarachter, door spleetjes langs de zijkanten te zien, een sterk licht scheen: daarachter lag mijn ware verlossing! Ik voelde dat ik externe hulp nodig had om die deur te kunnen openen. Echter, financieel gezien kon ik geen verdere hulp meer betalen. Mijn zorgverzekeraar had de grens bereikt met aanvullende alternatieve hulp. De psychologe was nog ziek en sessies zijn zwaar gelimiteerd! Mijn informatie over mijn duidelijk verslechterde situatie door de loskomende emoties nu, na de ontdekking van het kerkelijk misbruik, leverde geen effect op. Volgens het systeem hebbenregels voorrang! De belangen van mensen komen op de tweede plaats. Jij mag je als hulpzoekende dan uitgenodigd voelen een alternatieve vorm van hulp te vinden of je oefent voor het wereldkampioenschap uithouden en je onderwerpt je aan het systeem. Je past je meestal aan, want waar begin je (aan) met het in opstand komen…?!
Het opgerichte “Vrouwenplatform voor slachtoffers van Kerkelijk Kindermisbruik” toont zich nu: www.vpkk.nl. Na overleg werd ik door hun woordvoerder begeleid bij de aanvraag om hulp bij de Contactgroep. Deze Contactgroep was in het leven geroepen voor slachtoffers in schrijnende omstandigheden op initiatief van de bisschop van Rotterdam. Na veel papierwerk kon ik nu een concreet financieel overzicht met bijpassende hulpvraag tonen. Heel confronterend om mijn financiële situatie in ogenschouw te moeten nemen én dat nog aan wildvreemde mannen te presenteren. Zeker was het goed mijn cijfers eens zwart op wit te zien, maar óók moeilijk! Begin september 2013 kon ik de aanvraag met behulp van meedenkende mensen opsturen. Nu gold het vol spanning af te wachten hoe hun antwoord zou zijn. Als casus was ik al in augustus tijdens een vergadering ter sprake gekomen voor verdere hulp, die de “kerkelijke heren” wel noodzakelijk achtten. Maar ik kreeg de opdracht om de aanvraag nóg concreter te maken.
Er werd mij ook verzekerd, dat dit nodige geld voor therapie niet zou worden meegenomen in een eventuele latere financiële genoegdoening. Dat concreter maken viel me heel zwaar! De verklaring hiervoor vond ik na de informatie, dat júist misbruikslachtoffers heel slecht concreet kunnen worden: dan kon de tegenpartij je pakken! Dáárom dus mijn neiging om me altijd wat bedekter uit te drukken: dat was de noodzakelijke zelfbescherming! Het bleef stil. Na een maand wachten merkte ik, dat ik dit niet meer trok. Ik had mijn ziel en zaligheid gelegd in deze aanvraag, in overdrachtelijke zin ging ik “met de billen bloot” en dit bij totaal vreemde mannen. Kwetsbaarder kon echt niet meer. Afhankelijkheid ligt mij al helemaal niet, dat anderen dan voor en over mij beslissen is bijna ondraaglijk voor mij. Waar ik in deze situatie echter vocht om verder te komen met passende therapie, móest ik deze procedure wel doorstaan. Ik ervoer het als heel vernederend om zo af te moeten wachten. Opnieuw het beeld gebruikend: “met de billen bloot zo lang op de tocht staan.” Ik werd herinnerd aan oude uitspraken van: “jij bent het ook niet waard, jij doet er toch niet toe, wat heb je nóu weer lastig mens, wij hebben het druk met belangrijkere zaken”. Hoe vaak had ik dat meegemaakt, dat alles en iedereen belangrijker was dan ik?! Het was enorm pijnlijk, ik verdroeg het niet meer: ik wilde dood. Niet om écht dood te gaan, maar om van deze ondraaglijke pijn verlost te zijn. Met mijn laatste restje gezond verstand belde ik mijn begeleiders op om dit te melden: diep in mij wist ik, dat ik niet was geboren om nu te gaan! Meteen werd via, via in Rotterdam aan de bel getrokken en nu ging het snel: binnen twee dagen stond er een bedrag op mijn bankrekening om bij de therapeut te beginnen. Later zou de congregatie van de betreffende zusters dan de verdere kosten voor therapie overnemen, zo werd mij verzekerd door de Contactgroep. De door mij uitgezochte therapeut had destijds al direct gezegd bereid te zijn met mij te werken. Eindelijk konden we starten! Zo kon ik eind 2013 écht tot de kern doordringen, bijna twee jaar na de eyeopener misbruikslachtoffer te zijn! Onlangs zei de therapeut, dat ik destijds een wrak was geweest. Het volgende proces, onder zijn begeleiding, is niet in woorden te vatten, dit moet je zelf ervaren! Vol dankbaarheid en diep respect voor de geboden kundigheid vind ik, alleen nog bij noodzaak nu, hulp in Nijmegen. Het wonderbaarlijke is, dat ik de voor mij juiste mensen tegenkom op dit zelfgekozen pad: ik ontmoet zo bijzondere mensen en mag me vaak verbazen over hun betrokkenheid én initiatief! Verwondering en dankbaarheid, het toont me dat ik goed bezig ben. Ik, die niet meer rijd en moeite heb met snelwegen, vond ook iemand die me behoedzaam naar Nijmegen rijdt.
Begin 2014 kwam ik in contact met een zeer goed geïnformeerd persoon. Op hoog niveau had ze in en voor de kerk veel goeds gedaan. Ze bezat veel kennis van zaken, na een goed gesprek beloofde ze me haar steun en inzet bij een aanvraag voor herstelbemiddeling bij deze congregatie. Zij beoordeelde mijn keuze voor het Drieluiktraject als juist in mijn geval. Hiermee had zij al zeer positieve ervaringen opgedaan! Het traject wordt begeleid door op dit gebied zeer ervaren vakmensen, die van de kerk ónafhankelijk zijn. Met dit specifieke traject waren al zeer goede resultaten bereikt bij andere ordes, voor zowel de kloosterlingen als de slachtoffers. Bij deze wijze van benadering kon ik me thuis-voelen. Moeilijk genoeg zo’n traject, maar hier voelde ik me het veiligst bij. Tussendoor gaf ze erg waardevolle, troostende toelichting: mijn systeem is eraan gewend geraakt en erop ingesteld om altijd het ergste te verwachten na al mijn ingrijpende ervaringen.
Dus daarom kunnen mijn angst en zorg zo hoog opvlammen! Deze dame zou contact op te nemen met de algemene overste van de congregatie in Roosendaal: de zusters Franciscanessen van Mariadal aan de Theresiastraat, hierin herkende ik twee doopnamen van mij. Het was enorm spannend voor mij af te moeten wachten, hoe het antwoord van de algemeen overste zou uitvallen! In die daarop volgende weken overbrugde ik de wachttijd door, als een mantra, de tekst van Dietrich Bonhoeffer op eigen melodie te zingen:
“Von guten Mächten wunderbar umgeben, erwarten wir getrost was kommen mag, Gott ist bei uns am Abend und am Morgen und ganz gewiss am jedem neuen Tag“.
Ik bad dat de algemeen overste goed moge beslissen, opdat het ons beiden verder zou brengen! De melodie zong ik overal en op willekeurige momenten: de trap aflopend, op de fiets; ik verbaasde me er zelf over, maar liet het klinken zoals het in mij klonk! Ik schilderde een stuk, waarin ik als het ware de Geest over haar afriep. In april hoorde ik de beslissing van de algemene overste uit Roosendaal. Voor het door mij voorgestelde traject was ze “huiverig”: het werd niet gesteund door de KNR, Koepel Nederlandse Religieuzen. Zij stel-de een voor hén minder ingrijpende route voor. De KNR bood zelf een traject voor herstelbemiddeling aan, waarvoor zíj de deskundigen hadden uitgekozen en aangesteld. Dit zijn dan van de kérk afhankelijke deskundigen, terwijl de kerk juist de tegenpartij is in deze: kerkelijk kindermisbruik valt namelijk onder het Ministerie van Veiligheid en Justitie. In zo’n precaire zaak vind ik de grootst mogelijke objectiviteit uiterst belangrijk en meer dan op zijn plaats. Hierin kon ik mij écht niet vinden! Het raakte me diep, meer dan een klap in mijn gezicht, na ruim vijftig jaar bleek de machtsstructuur bij deze vrouwelijke congregatie ganselijk onveranderd. Nog steeds bepaalden deze nonnen jouw leven, dat trachtten ze althans! Na deze ervaring borrelden er de volgende woorden in mij op, vergezeld door een bijbehorende, eigen melodie. Het eerste couplet klinkt in een marstempo, vierkwartsmaat; de volgende zes coupletten in een walstempo, driekwartsmaat:
Lied: Beken kleur en open die deur!
Overste, overste, ik kan u niet bereiken uw positie is zo hoog en ik dus laag of ik u bereik is nog maar de vraag…
Ja, want die oversten die zijn zo machtig, hoogst in de hiërarchie, o wat prachtig, maar daar zitten ze achter veilige muren, gevangen in hun heilige structuren. Gevangen in je eigen keurslijf, ‘n korset van stijfsel is je verblijf. Hou je vast aan oudvertrouwde waarden en geen last van gewetensbezwaren. Ogenschijnlijk is toch alles in orde, geen gehoor voor wat het volk morde, maar je valkuil, je kent hem maar half, is die “dans om het gouden kalf”. Voor wie of wat klopt uw hart dan wel of zit daar alleen maar ’n reuze gezwel? ’n Hart wil kloppen, ‘n hart wil voelen, bloed wil stromen voor allerhand’ doelen.
Wees niet huiv’rig, wees niet bang, er wordt gewacht al zolang, toon eens hoe je bent als mens, niet als overste, dan toon je ’n grens. Laat je hart maar voluit spreken, dan zullen de muren vanzelf breken, ’n kloppend hart krijgt elke muur om, durf te beven, durf te leven en KOM!
Ik moest er echt van bijkomen en wist het even niet meer. Het meest raakte mij het feit, dat ze het woord “huiverig” gebruikte: wie had míj ooit gevraagd of ik het aankon van al datgene wat mij overkwam?! Ik kende die luxe niet: het werd op mijn bordje gelegd en ik moest leren ermee om te gaan. Slikken of stikken vond ik te kort door de bocht, ik wilde er uiteindelijk verder mee zien te komen. Juist nu met Pinksteren merkte ik, dat het nodig was om mijn gevoelens te uiten en voelde ook de kracht daartoe. Gericht aan de algemene overste van de betreffende congregatie kwam er een brief. Deze brief is primair ter mijner verlichting geschreven als expressie van datgene, wat mij bezighield. De brief is nooit verstuurd. In het kader van dit verhaal vind ik het wel passend de brief hier te tonen:
Brief aan de algemene overste, Pinksteren 2014
Pinksteren, de dagen waar gevierd wordt, dat de H. Geest over de mensen kwam en hen de kracht en drive gaf om te spreken over datgene wat hen ten diepste bewoog. Welnu, die kracht voel ik en nu richt ik mij dus tot u. Het laatste bericht dat ik ontving over u, was via de ons beiden bekende tussenpersoon bij uw gezamenlijke contact. Thema: mijn wens om het Drieluiktraject als herstelbemiddelingstraject te volgen. Na informatie hierover koos ik bewust dit traject, omdat het voor mij als een “thuiskomen” voelde. De tussenpersoon deelde mij mede, dat u huiverig was voor dit traject: het week af van de aanbevolen route, die de KNR verkoos te volgen. Het hardst trof mij in uw reactie het woord “huiverig”. Wanneer ben ik ooit gevraagd in moeilijke situaties in mijn leven? Ik kon nooit overwegen of ik wel wilde; huiverig zijn voor wat het leven mij bood, kwam al helemaal niet aan de orde! Die luxe is mij nooit gegund. Dát kwam hard aan! Ik ken geen veiligheid in mijn leven en u kruipt weg voor uw veiligheid. Sinds de “coming out” als slachtoffer van kerkelijk kindermisbruik georiënteerd omtrent uw persoon. Op internet zag ik u in een filmpje waar u werd geïnterviewd. U maakte daar op mij de indruk van een zeer krachtige vrouw, beslist capabel voor uw functie als algemeen overste van uw congregatie. Wat mij echter achteraf verbaast: hoe kan een zo zelfstandige en capabele vrouw zich dermate afhankelijk maken van een instantie, die blijkbaar voor anderen beslist?! Zeker, er is moed nodig voor het nieuwe, daar kan ik een lied van zingen. Het kost mij mijn laatste krachten, maar voor mij betekent het mijn integriteit uitleven. En als ik erbij neerval, dan weet ik dat ik ten volste naar mijn overtuiging handelde! Voor mij is de tijd voorbij dat ik zoveel rekening houd met andermans belangen, ik was er te vaak ziek van. Nu kies ik voor veiligheid: mijn reserve is uitgeput. Als u daar huiverig van wordt, tja, dan is dat maar zo. Ik leef niet ten koste van anderen, maar houdt u alstublieft op op míjn kosten ten bate van uw veiligheid te kiezen! Nu toont mijn lichaam verschijnselen van deels hersenfunctieontregeling door een te moeilijke emotionele situatie. Zo lag ik een week op Neurologie in het ziekenhuis voor onderzoek en observatie. Diagnose: geen medische maar emotionele redenen. Hoeveel vrouwen moeten er nu nóg verder slachtoffer worden van de naweeën van wat hen werd aangedaan in de zo kwetsbare tijd van hun jeugd? Moeten er doden vallen voordat er nú moedige stappen vanuit vrouwelijke congregaties ondernomen worden; nu, waar er zoveel méér bekend is over beschadigingen bij de meisjes?! Het feit dat er ondanks de actuele informatie nog stééds niet het belang van de meisjes wordt gediend is onvoorstelbaar maar wél de realiteit! Juist op Pinksteren moet me deze “wake up call” van het hart. Ik hoop dat de Geest zijn werk verricht, mede voor elke lotgenoot.
En ik ben ervan overtuigd dat het ook ú en uw medezusters verlichting en verrijking zal geven. Het leven biedt kansen om te groeien, dit gun ik u en alle getroffenen. Na dit gezegd te hebben, kan ik u een Zalig Pinksteren wensen! – Trees Miedema
Al langer had ik alsmaar pijn in vooral armen, schouders tot handen en vingers toe. Ik verloor kracht en ook “mijn greep”: ik liet veel vallen, kreeg de voordeur niet altijd open, kon de kraan niet sluiten. Ik voelde me als hóógbejaard zijnde… In bed hield ik het niet lang uit, steeds maar weer opstaan, het liggen deed te zeer, dus andere houdingen zoeken. De huisarts constateerde PMR, Poly Myalgia Reumatica; een mondvol, ik moest er even op oefenen. Via internet las ik de betekenis: ontsteking in pezen, peesscheden, de slijmbeurzen rondom gewrichten en in het gewrichtskapsel, een reumatische ontstekingsziekte. Vier weken kreeg ik een kuur: prednison in hoge dosering, ik noemde het “Pre(d)t prut”! Mijn lijf stond niet te juichen bij dit middel met deze hoge dosering maar ja, het zou na twee of drie jaar te genezen zijn. Na twee weken traden er echter beangstigende ont-regelingen op: toen er een fiets aankwam wíst ik dat ik moest stoppen, maar liep er vol in! Wat was er met mij aan de hand, waarom deed ik dat? Een week later had ik al fietsend mijn stuur niet meer onder controle en viel in de gemeentelijke bodembedekkers. Mijn bevel “naar rechts tégensturen” werd genegeerd. Sinds de val was mijn spraak stamelend, woordenzoekend en mijn lijf schokte alsmaar. Ook ontstond er angst: wat kan er nog gebeuren…?! Na een week belandde ik in het ziekenhuis op Neurologie ter observatie en onderzoek, want de klachten bleven. Nee, geen TIA, maar wat was er dan aan de hand?! De neuroloog toonde me op een hersenopname de gevolgen van de “radicaal” operatie, toen ik tweeënhalf jaar was. Daar zag ik ook het grote gat, als een grot, achter mijn oor. Als het ware symbool staand voor de leegte die mijn broertje na zijn dood achterliet in mijn leven, maar ook mooi: kon me een neervlijen voorstellen in die grot. Bij het tweede onderzoek, waarbij ook visuele prikkeling, schoot ik terug in de tijd: de ogen van Soeur Cathérine zogen me weer op! Enorm confronterend deze herbeleving van die oude ervaring. Maar er was een adequaat reageren van de assistente! Ik had haar gewaarschuwd hoe mijn lijf kon reageren: ze hield me vast en blééf me vasthouden bij mijn reactie. Ongekend helend, zo’n bij-mij-blijven-en-vasthouden! Mijn ervaring was juist, dat men dan wegliep en ik alleen door die hel moest. Bij het gesprek met de specialist werd het me duidelijk: het waren late effecten van vroegtijdige traumatisering, geen medische oorzaak, wel sterk lichamelijke reactie. Dankzij die onderzoeksresultaten kon ik nu duidelijk de jeugdtraumata herleiden. Die verwerkte ik later thuis in een wandkleed, waarop het machtsmisbruikverhaal van mijn leven is afgebeeld. De prednison stopte. Nog enige tijd met een rollator door “den lande” mogen trekken: een aparte ervaring… Het tekende zich steeds duidelijker af: ik moest me nóg meer uiten over het verleden, anders zocht mijn lijf steeds andere uitwegen! Na dit ziekenhuisverblijf zag ik geen heil meer in een voortzetting van het herstelbemiddelingstraject: vechten tegen de bierkaai was niet zinvol. Mijn energie mocht anders ingezet worden. Korte tijd na de uitspraak van de overste volgde al snel een mail: een ander herstelbemiddelingstraject, wie regisseerde dat toch…?! Nu las ik over Commissie HEG: Herstel, Erkenning en Genoegdoening. Klonk goed. Dit traject bleek goedgekeurd door de KNR. Maar mijn vertrouwen, dat de échte belangen van de slachtoffers gewaarborgd werden, was echter verdwenen. De KNR had een te grote vinger in de pap en die pap mochten ze zelf opeten!
Na deze ervaring werd mij het volgende aangereikt:
“Het gouden kalf” Aanbidding door de KNR en soortgelijk denkenden, oftewel de twee werelden: de wereld van het “hebben” en de wereld van het “zijn.”
Als in een visioen zag ik de volgende wereld:
in de bergen keek ik vanaf grote hoogte naar beneden en zag een vallei, die totaal gevuld was met wezens. Zij krioelden in en over elkaar, bij het meer inzoomen op deze wezens zag ik, dat ze er bijna uitzagen als witte, kronkelende maden. Er waren er teveel voor de vallei, ze bleven maar bewegen. Mijn focus nog scherper stellend zag ik, dat die wezens in een bepaalde richting bewogen, rondom een iets dat in het middelpunt stond. Dat iets was groot, massief en verheven boven de massa: ik zag iets, net zoals de aanbidding van het gouden kalf of soortgelijke afgod. Ik wist met een diep innerlijk weten, dat er boven in de bergen iets gebeurde met een grootse opdracht, net zoals Mozes die destijds de twee stenen tafelen haalde. Opeens begreep ik, dat de algemene oversten, de KNR en al die zich hooggeplaatste organen, instituties en commissies zich in deze massa bewogen, er zelfs in gevangen zaten. Ze kónden niets anders dan zich laten dragen en meebewegen in deze massa. Ze konden niet wachten op de uitslag van de grootse opdracht, gevangen in hun eigen wil en onderhand andermans willen, het vermeende moeten. Alle energie zat in hun eindeloze meebewegen rondom het middelpunt, van wat zij tot hun godheid verkozen hadden…! Alles, het hele systeem om hen heen, was er zo op ingericht. Dit was hun heiligheid, waaraan zij hun diepste overtuiging ontleenden. Alles moest hiervoor wijken! In mij ontstond een diep erbarmen met deze wezens, dat ze zich slaaf hadden gemaakt van deze externe macht. Zolang ze zich in die massa als uitwisselbare wezens lieten bewegen en meedeinden, konden ze er geen afstand van nemen. Ze waren niet in staat zich af te vragen of deze houding het nu werkelijk was, wat ze wilden en of deze instelling tot hun échte menszijn zou bijdragen. Hun ziel werd in slaap gesust door het meedeinen in de massa en zo misten ze de afslag naar de bron, waar hun échte middelpunt was: het “zijn”.
Het begon me nu te dagen (“het daghet inden Oosten,” daar waar ik woon), nu had ik volledige vrijheid en ruimte verworven om mijn verleden te etaleren. Ik voelde me niet meer gebonden aan datgene, wat de kerk wel of niet beviel: ik kon nu mijn gang gaan om mijn verhaal naar buiten te brengen! Hoe wist ik nu nog niet, het voelde opgeruimd in mij, als na de grote schoonmaak. Die machtsstructuren nog ruimte of macht geven, die afhankelijkheidshouding en steeds nog maar rekening houden met…Dit doodlopende pad liet ik nu achter mij! Een andere weg inslaand met een openliggende nieuwe wereld, nu eerst maar eens verkennen!
De pastor was nu met emiraat. Als opvolger vond ik iemand die, ánders, ook de juiste toon bij mij wist te vinden en zo treffend, dat hij mij adviseerde mijn levensverhaal zíngend te vertellen. Volgens hem zat mijn hoofd vol met melodieën en woorden. Sprakeloos kon ik niet anders dan beamen. Dit vertellend bij bekenden kwamen er reacties als: ”theaterdier” en “zangeres”. Wat er nu toch allemaal gebeurde!
Ik kon alleen maar mijn hoofd buigen voor wat er klaarblijkelijk stond te gebeuren en erin meegaan. De ochtend na zijn uitspraak begin juni, werd ik vroeg wakker: de zinnen tolden door mijn hoofd. In bed blijven was zinloos, dus maar opstaan en nog in nachthemd begon ik te schrijven. Zo vloeide het uit mij, ik hoefde het alleen maar op te schrijven.’s Nachts klonken er melodieën in me, de volgende dag klonken ze nog om te worden genoteerd. De Nijmeegse therapeut gaf me een boek met Italiaanse aria’s en liederen uit de zeventiende en achttiende eeuw. Ik merkte, al spelend en zingend, dat er twee melodieën als mantra’s in mij bleven doorklinken. Oké lady, doe er iets mee! Ik koos ze voor mijn jeugdtrauma’s en schreef de teksten daarbij. Mij viel op, dat de originele titels pasten bij mijn huidige teksten: “Vergin, tutto amor,” maagd en liefdevol: dat kende ik als klein meisje ook. De tweede titel: “Tu lo sai”, jij weet het, klopte ook: ík wist het, die non ook, maar verder niemand! Toen ik de eerste paar keer die melodieën met mijn tekst erbij zong, brak er een bevrijdende huilbui los! Zo ervoer ik weer eens, hoe enorm diep muziek kan gaan én daarbij heelt en daarnaar was ik op zoek. Nadat ik het verhaal in liederen en teksten klaar had, ook in programmavorm, dook de vraag op: wat nu? We besloten alles eens achter elkaar door te nemen, de begeleider nam daarbij de tijd op. Alhoewel hij de teksten al kende, vond hij het nu boeiend en ontroerend. Iets onbenoembaars voltrok zich in mij. Bij deze presentatie bleek ik de programmadelen als het ware aan elkaar te praten. En weer rees de vraag: wat nu? Iemand sprak over theatermakers, die begeleiden en ondersteunen om dit geheel in een “optreedvorm” te gieten. Een nieuwe fase, maar ik kende geen theatermaker! Net die morgen hoorde ik op Radio Gelderland – wat heet toeval, normaal heb ik Radio vier aanstaan – een interview met een theatermaker uit Ede. Meteen heb ik hem gebeld, hij toonde interesse en ik heb hem met het Vrouwenplatform in contact gebracht. Als het lukt, komt daar een voorstelling uit voort. Hij bood zijn theater aan voor mijn voorstelling. Die wilde ik echter niet beperken tot het kerkelijk misbruik, voor mij reikte het verder dan dat ene thema. De ingrijpende gebeurtenissen met vérdragende gevolgen in mijn leven wilde ik uit hun kerker halen en naar buiten brengen. De ban van de ruim vijftig én zestig jaar oude taboes breken en misschien heeft een ander er ook iets aan. Geïnterviewd door Trouw op vijf juni 2014 doet Peter John Schouten, een psychotherapeut die werkt met misbruikslachtoffers, onder andere drie uitspraken. Bij het proces van traumaverwerking na seksueel (en ik vul aan: ook psychisch en/of fysiek) misbruik zegt hij:
“de dader moet uit jou en de gehele gemeenschap moet er zich niet aflatend mee bemoeien. De ervaring moet in het volle licht worden gezet.”
Bij dit laatste zag ik het: in het volle licht op de planken staan! Dat bood de mogelijkheid om het te uiten en zo de gemeenschap te laten horen wat mij toen overkwam, maar wat beslist ook nog nu gebeurt. Misbruik is en zal van alle tijden zijn! Misschien lever ik een kleine bijdrage en hopelijk ontstaat er meer alertheid. Maar…het optreden in het openbaar was juist mijn grootste angst! Toch zag ik de weg voor me: “Dein Angst ist Dein Weg”, je angst toont je waar jouw weg naar bevrijding ligt. De drive om dit alles aan de wereld te vertellen, juist na zo’n lang zwijgen, geeft hopelijk de kracht die angst te doorstaan. Ondertussen bleken theatermakers onbetaalbaar voor mij. Bij mijn zoektocht, waarbij diverse mensen hielpen, sprak ik een psychodramatherapeut die zijn trauma al op de planken had gezet.
Zijn reactie na het doorlezen van mijn teksten was: “ik mis de humor en de context”. Humor had ik nog niet zomaar paraat bij dit verhaal, maar die context?! Dat kon ik me voorstellen, voor de ingewijden was het duidelijk, maar voor anderen…
Na een poosje stilte ter nodige bezinning, kwam het idee in me op om als de gezochte “context” mijn levensverhaal grotendeels op te gaan schrijven. Mijn hele leven wordt mij al gezegd, dat ik boeken moet schrijven. Mijn moeder sprak over de kinderboeken, die ik moest gaan schrijven. Na de nodige tegenslagen in het leven en mijn zoektocht hoe ermee om te gaan, spraken ook vrienden over boeken schrijven. Nou doe ik onderhand niet zomaar meer wat anderen zeggen, dat ik moet doen. Wat van buitenaf komt werkt niet bij mij, maar als het vanuit mijn hart komt dan stroomt het. Zou ik nu dan toch zo’n stap wagen…?! Toen ik na enige tijd achter dit idee kon staan, overwoog ik in welke vorm ik het zou gieten. Dán leek het me wel passend om het als een lief sprookje te vertellen, althans lief aan het begin: tóen was mijn wereld nog in orde! Sprookjes kennen een rauwe waarheid, die herkende ik ook in mijn leven. En toen kon ik vertellen over:
“een meisje dat met haar papa, haar mama en haar oudere broertje in een houten huis woonde, naast de watertoren…”
Epiloog
Er bestaat geen toeval, als het hogere er de hand in heeft…
Plaatsing bij de hemel: “Dat is hier zó ontzettend hemels, nou maar eens even de frisse lucht in,” bedenkt de man en voegt de daad bij de gedachte. Hij zet voorzichtig een stapje lager om zo behoedzaam op een wolk te kunnen landen. Terwijl hij zich daar gemoedelijk installeert bedenkt hij, dat hij altijd al van frisse lucht hield, vroeger. Al zittende bekijkt hij peinzend de wereld die daar onder hem ligt. Tja ooit…, nu kan hij er heel anders tegenaan kijken als destijds, toen hij daar nog vertoefde. Al peinzende merkt hij nauwelijks, dat er op de belendende wolk iemand naast hem komt zitten. Pas als hij direct aan wordt gesproken, schrikt hij op uit zijn gedachten. “Sorry, ik was in gedachten verzonken” en hij wil zich voorstellen, maar dat hoeft nu niet meer zoals vroeger. De andere man kijkt hem rustig aan en knikt: ”Ja, dat ken ik.” Nu zitten de twee mannen een poosje zwijgend naast elkaar, beiden in gedachten verzonken. Ze bekijken de zich onder hen uitbreidende wereld, die ze al langer ontstegen.
De oudere man zucht, waarop de jongere man hem vragend aankijkt: ”is er iets wat je nog bedrukt? We hebben dat tranendal toch al achter ons gelaten?!” De oudere man zoekt naar woorden en kauwt er als het ware op, voordat hij ze uit zijn mond kan krijgen. Eindelijk vat hij moed en spreekt uit, wat hem nog kwelt: “ik zit er nog mee, hoe ik met een kind van mij in mijn leven op aarde ben omgegaan. Ik heb veel verrabbezakt voor haar. Vooral nu ik van hieruit zie, hoe ze er nog last van heeft, dat laat me niet met rust.” De jongere man luistert met aandacht naar het verhaal, dat de andere man hem nu vervolgens vertelt. Het is een poosje stil daarna, beide heren zijn wederom in hun eigen gedachten verzonken. De oudere man voelt zich wel ietwat verlicht, nadat hij zich heeft kunnen uitspreken bij een onbekende en eindelijk het verhaal van zijn wandaden heeft kunnen delen. Dat ze dezelfde taal spreken is niet bijzonder, dat gaat gewoon zo in de hemel, daar zijn geen taalgrenzen, er is alleen de universele taal der liefde. Wel vielen de jongere man bepaalde plaatsaanduidingen op: ze zijn voor hem zeer herkenbaar. Bij navraag hieromtrent merken de heren, dat ze beiden ook in de Achterhoek gewoond hebben: “wat een toeval,” klinkt het uit beider mond. Daar horen ze op de achtergrond een steeds luider aanzwellend gezoem, wat zich dichterbij tot een melodie uitkristalliseert: het engelenkoor komt met ruisende vleugels gezwind naderbij, uit hun aller monde klinkt eensgezind de hymne: “er bestaat geen toeval!”
Na nog enkele vragen zegt de jongere man tegen de oudere: “hoe je dat eerste probleem oplost, weet ik niet. Bij je tweede probleem kan ik misschien iets bijsturen: mijn kind kent namelijk jouw kind. Ik ga proberen of hij weer op haar levenspad kan komen om hernieuwd contact te leggen. Misschien ontstaat er dan een situatie, met steun van ons allen hierboven, waarin het destijds veroorzaakte daar beneden in een beter vaarwater kan komen stromen.” Sprakeloos kijkt de oudere man de jongere man aan. Dan zegt hij zachtjes: “goh, als ik geweten had, dat het me uitspreken over deze zaken zo veel ten goede keren kon, dan had ik het beslist eerder gedaan!” “Er is geen toeval en er is een tijd voor alles, volgens de wereldse telling ben je nu vijftien jaar hier, jouw uitspraak kiest deze tijd,” zegt de jongere man met een milde glimlach.
Plaatsing op aarde: Het oog der toeschouwer glijdt in slow motion naar beneden en krijgt nu de gelegenheid zich langzaam te focussen op de aarde. Steeds gerichter volgt het oog der toeschouwer het inzoomen, wat plaatsvindt. Uiteindelijk belanden de ogen van de toeschouwer op een plek in de Achterhoek, dat is in het oostelijk deel van Gelderland.
Plaatsing der problematiek: Zoals uit het gesprek hierboven op te maken valt, zijn er twee problemen. Probleem één moet de oudere man zelf oplossen. Hoe pakt hij dat daarboven aan?! Hij weet, dat zijn dochter haar levensverhaal aan het schrijven is. Ook weet hij, dat er belangrijke zaken uit haar leven niet in dat verhaal zullen komen, omdat zij een deel niet weet en een deel heeft weggedrukt. Bij het tweede, weggedrukte deel zal de andere man helpen. Nu is het dus aan hem om haar het eerste deel duidelijk te maken. Hij fluistert haar herinneringen in uit die tijd, waar zij nog contact had met de desbetreffende persoon. Alleen déze persoon kan haar letterlijk openbaren, wat hij hierboven nu betreurt destijds zo aangepakt te hebben…
Plaatsing in de tijd op aarde: Het is maart 2015.
Situatie vrouw: De vrouw denkt al een paar dagen alsmaar aan een persoon uit haar verleden. Zij weet dat dit komt, omdat in de fase waarover ze net vertelt die persoon in haar leven opduikt. Na een paar dagen is de vrouw het beu en schrijft die persoon een brief. Via het internet vindt ze zijn adres, hopelijk klopt het nog.
Contactopname vrouw, acht maart: De vrouw vermeldt in de brief aan de vroegere vriend, dat ze haar levensverhaal aan het schrijven is en net over de tijd met hem vertelt. Daardoor denkt ze veel aan hem en vraagt ze zich af hoe het met hem gaat. Ze doet nog haar visitekaartje erbij en stopt de brief (op hoop van zegen) in de brievenbus.
Contactopname man één, elf maart: Na enkele dagen gaat de telefoon en tot haar verbazing heeft ze de vroegere vriend aan de lijn! De man bekent vaak in zijn leven aan haar gedacht te hebben. Na de brief wist hij nu absoluut te moeten reageren: hij had al nooit meer op deze kans gerekend! De vrouw verheugt zich over de geslaagde poging tot con-tact. Ze vraag hem of hij het televisieprogramma “Memories” kent. Nee, jammer genoeg ontvangt hij in zijn land geen zender uit haar land. Zij legt hem de intentie van het programma uit en bekent hem al jaren na elke uitzending onrustig te zijn geweest. Alsmaar had zij het gevoel, dat ze met de man contact moest opnemen: alsof ze nog met elkaar iets te bespreken hadden, maar zij deelden toch geen liefdesgeschiedenis? Nou, je gevoel klopt wel, zegt de man. Mag ik je morgen opbellen? Ik heb je iets te vertellen. Verrast zegt de vrouw: ja, tot morgen.
En de volgende dag mag de vrouw aanhoren, hoe deze vriend 42,5 jaar geleden een vraag aan haar vader stelde. Een vraag, die haar leven een heel andere wending had kunnen geven! En nooit heeft zij dit van één beider heren vernomen! Ze besluiten samen om nú het destijds uitgesproken verbod van de vader op te heffen. Eind maart volgt er een hernieuwde kennismaking, waarbij de man wéér zijn vraag stelt, maar nu aan de vrouw…! Hij is erg gelukkig met haar antwoord.
Zeven maanden na hun hernieuwde contact en weerzien spreekt man één de oudere man boven zelf aan. Op de wolk naast hem zittend, verschaft hij ook hier duidelijkheid: eindelijk kon hij de al zo oude vraag aan de vrouw stellen, anders had zij zijn vraag nooit geweten en hij haar antwoord niet!
Contactopname man twee, zestien maart: De tweede man treft de vrouw bij de supermarkt, waar zij haar fietstas net aan het inpakken is. Hij spreekt haar aan, nadat ze elkaar jaren niet hebben gezien. Blij verrast kijkt de vrouw op en begroet hem. Zo ontstaat er na lange tijd weer contact en maandenlang gaan ze op vriendschappelijke voet met elkaar om. De vrouw ontdekt tijdens het contact met man twee, dat zij twee sprookjesfiguren in zich meedraagt. Na een Doornroosje-wordt-wakker-kus merkt ze, dat ze op een bepaalde manier nog slaapt. Ze ontdekt met een nu wel wakkere blik, dat ze een oud patroon aan het herhalen is en dat scenario kent ze al en wil ze niet meer! Ze kiest een nieuwe, on-bekende weg. Daar ontdekt de vrouw, dat zij zichzelf als een Assepoester bejegent. Ze zit in het souterrain van haar huis en haar leven. Ze heeft haar eigen wensen en behoeftes weggesloten achter die naar de hogere etages voerende deur. De vraag rijst: durft ze die deur te openen?! Nadat ze de trap oploopt en die deur voorzichtig opent ontdekt ze, dat er zich wat verder achter die deur iets verschuilt: een oud geheim! Destijds is ze in haar prille ontluikende vrouwelijkheid door handtastelijk ingrijpen van buitenaf een stuk beschadigd. Nu wordt het haar duidelijk, waarom de vader haar destijds zo ruw én met schuldtoewijzing uit huis naar het pensionaat joeg! Ze is overrompeld na de ingrijpende ontdekking en kan pas nu de uitwerking ervan op haar leven onder ogen zien. Ze voelt en begrijpt waarom respect, vertrouwen en veiligheid altijd al zo belangrijk waren, zijn en blijven voor haar!
Verbinding aarde en hemel: Na een tijdje weet de vrouw, dat ook iemand anders de hand heeft in datgene, wat er deze afgelopen maanden viel te beleven, aanhoren en ontdekken. Dit is geen toeval, je verzint niet wat haar deze maanden overkwam. Zij neemt contact op met hem, die in al dit doorleefde doorklinkt: de overleden vader. Zij bedankt de oudere man voor zijn nu wél positieve hand! Moge hij eindelijk rust vinden, na zijn bekentenissen en weer-goed-maak-acties. Zij groet de nu, met man één erbij, al drie mannen en blaast een afsluitende handkus richting wolken en de daarboven liggende hemel!
Plaatsing thema: Dit laatste halve jaar bracht na inzicht, een voorzichtig begin van ver-geven, de stap naar het volledig in het leven durven staan, maar vooral de sprong in het helingsproces vanhaar oereigenste vrouwelijkheid!
Slotwoord
Sinds begin 2015 schrijf ik aan dit verhaal over mijn leven. Hoe het verder gaat? Geen idee. Ik, die mijn levenlang meende oplossingen aan te moeten dragen, geruststelling en zekerheid te bieden aan anderen én mezelf, spreek nu met groot genoegen de woorden uit: “ik weet het niet”! Ik merk dat ik me alsmaar beter kan overgeven aan de stroom in mijn leven, mijn levensstroom. Uiteindelijk brengt die mij daar, waar ik wezen moet, een onderweg zijn met een duidelijk doel voor ogen én durven staan voor datgene waarin ik geloof:
LIEFDE IS JEZELF KUNNEN ZIJN.
Opgedragen aan mijn lieve, kleine, wijze Carolien.